ECLI:NL:PHR:2014:2213

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2014
Publicatiedatum
2 december 2014
Zaaknummer
13/06281
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420quater.1 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 440 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest schuldwitwassen wegens onduidelijke bewezenverklaring en onvoldoende bewijs

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld voor schuldwitwassen, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, en het opzettelijk nalaten van het verstrekken van gegevens. Verdachte werd veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld, waarbij het cassatieberoep voor het primaire feit reeds partieel is ingetrokken.

De Hoge Raad bespreekt twee middelen van cassatie die gezamenlijk worden behandeld. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van schuldwitwassen niet alle bestanddelen van het delict bevat, doordat het hof essentiële zinsneden heeft doorgehaald. Het tweede middel richt zich op de motivering en het bewijs, waarbij wordt gesteld dat niet kan worden afgeleid dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was en dat verdachte dit moest vermoeden.

De Hoge Raad constateert dat het hof kennelijk te veel heeft weggestreept uit de tenlastelegging en dat de bewijsvoering onduidelijk is over welke gedragingen precies bewezen zijn. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen dat een groot deel van de betalingen met geld van de ex-man van verdachte is verricht, die inkomsten uit de autohandel niet aan de belastingdienst opgaf. Er is echter geen aanwijzing dat verdachte dit moest vermoeden.

De Hoge Raad oordeelt dat beide middelen slagen en dat de bewezenverklaring niet kan worden verbeterd. Daarom wordt het arrest van het hof vernietigd voor zover het betrekking heeft op het subsidiaire feit schuldwitwassen en de strafoplegging. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Er is geen aanleiding voor ambtshalve vernietiging op andere gronden.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het subsidiaire feit schuldwitwassen vanwege onduidelijke bewezenverklaring en onvoldoende bewijs.

Conclusie

Nr. 13/06281
Zitting: 4 november 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 6 december 2013 verdachte wegens 1 subsidiair “schuldwitwassen, meermalen gepleegd”, 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” en 4. “in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep is op 9 januari 2014 partieel ingetrokken, te weten voor zover betreffend feit 1 primair.
3. Namens verdachte heeft mr. M. Berndsen, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste en het tweede middel
4.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit niet alle bestanddelen van de delictsomschrijving omvat. Het tweede middel keert zich tegen de motivering van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4.2. Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
“zij op een tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot 20 augustus 2006 in de gemeente Enschede, een voorwerpen, te weten:
- op 31 oktober 2007 in Enschede een geldbedrag van 1000 euro waarmee een auto van het merk KIA (ter waarde van ongeveer 15.000 euro) is aanbetaald en
- op 25 maart 2008 in Enschede een geldbedrag waarmee televisies zijn betaald en
- in de periode van 31 maart 2008 tot 10 april 2008 in Enschede een geldbedrag waarmee een wasmachine en strijkijzer zijn betaald en
- in de periode van 1 januari 2006 tot 20 augustus 2008 in Enschede en/of elders in Nederland geldbedragen tot een totaal geldbedrag van 4457,35 euro boetes aan politie en/of justitie is/zijn betaald en
- in de periode van 1 januari 2006 tot 20 augustus 2008 in Enschede enig geldbedrag waarmee een plafond in een woning is aanbetaald en/of afbetaald
terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
4.3. Het eerste middel klaagt dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit – waarin de zinsnede “heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt” in zijn geheel is doorgehaald – is gekwalificeerd als schuldwitwassen, hoewel het niet alle bestanddelen van de delictsomschrijving bevat.
4.4. Het middel legt de vinger op een zere plek. Het Hof heeft kennelijk bij vergissing te veel weggestreept uit de tenlastelegging. De vraag is of die misslag zich leent voor herstel in cassatie door middel van verbeterde lezing van de bewezenverklaring. Het lastige is dat de bewijsvoering niet duidelijk maakt wat het Hof precies bewezen heeft geacht (verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of omzetten dan wel gebruik maken). Dit mede doordat het Hof de geldbedragen (en niet de goederen die daarmee zijn gekocht) heeft aangemerkt als de voorwerpen waarop het handelen van verdachte betrekking heeft. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de goederen, de reparatie van het plafond en een groot deel van de boetes betaald werden door de ex-man van verdachte ([betrokkene]). Het is dus maar de vraag of en zo ja in hoeverre gezegd kan worden dat verdachte het geld voorhanden had of daarvan gebruik heeft gemaakt en of zij moest vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig was. Dat brengt mij op het tweede middel.
4.5. Het tweede middel behelst onder meer de klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.
4.6. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de ex-man van verdachte, [betrokkene], geld verdiende met de autohandel en dat een groot deel van de betalingen met dit geld zijn verricht. In cassatie zal hiervan dus moeten worden uitgegaan. Dat betekent dat in elk geval in zoverre geen sprake lijkt te zijn van geld dat van misdrijf afkomstig is, laat staan dat verdachte dat moest vermoeden. Misschien heeft het Hof bedoeld dat het geld van misdrijf afkomstig was, omdat [betrokkene] de inkomsten uit de autohandel niet aan de belastingdienst opgaf (zie bewijsmiddel 8), maar uit niets blijkt dat de verdachte dit had moeten vermoeden. Dat verdachte zelf geen inkomsten had, doet hieraan niet af.
4.7. Het tweede middel slaagt in zoverre. De onduidelijkheid van ’s Hofs bewijsoordeel brengt voorts mee dat het niet wel mogelijk is om de bewezenverklaring verbeterd te lezen. Ook het eerste middel slaagt derhalve.
5. Beide middelen slagen.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit en de strafoplegging en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG