De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene had vastgesteld op € 32.127,66 en deze ter ontneming aan de Staat had opgelegd.
Namens betrokkene werden drie cassatiemiddelen voorgesteld, waarvan het eerste en derde geen middelen van cassatie in de zin der wet werden geacht. Het tweede middel betrof de motivering van de toerekening van het voordeel tussen betrokkene en medeverdachte.
Het hof had de beslissing van de rechtbank bevestigd, maar had onvoldoende gemotiveerd waarom het aandeel van medeverdachte kleiner zou zijn dan dat van betrokkene en waarom 2/3 van het voordeel aan betrokkene werd toegerekend. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de beslissing op dit punt niet zonder nadere motivering had mogen bevestigen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor wat betreft de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en stelt deze zelf vast op 50%. Voor het overige wordt het beroep verworpen.