Conclusie
Uitgangspunten
Vergoedingen c.a.
Duur
primairomdat VAOP namens c.q. voor rekening van de Gemeente heeft aanbesteed, waardoor
(1) de Gemeente gebonden is aan de afspraken die bestonden tussen [eiseres] en VAOP en (2) de Gemeente daarom niet verplicht is opnieuw aan te besteden;
subsidiairomdat de Gemeente op of omstreeks 4 augustus 2011 de overeenkomst tussen [eiseres] en VAOP heeft gecontinueerd overeenkomstig de uitgangspunten die tussen die partijen golden;
meer subsidiairomdat de Gemeente het vertrouwen heeft gewekt dat [eiseres] in ieder geval geheel 2012 het oud papier en karton mocht inzamelen, door de jaarplanning van 2012 aan [eiseres] toe te zenden [5] .
kunnenzijn van een situatie waarin VAOP optrad als aankoopcentrale, waarin sprake was van (quasi) inbesteding en/of van lastgeving, maar dat die situatie zich in dit geval niet voordoet. De verwijzingen van [eiseres] naar de gang van zaken bij andere aanbestedingen en naar de wijze waarop VAOP zich op haar website en in andere uitingen afficheert kunnen haar niet baten; het hof kan zich vinden in hetgeen de voorzieningenrechter daarover en over de overige door [eiseres] in dit verband aangevoerde omstandigheden heeft geoordeeld en sluit zich daarbij (aan). Ook hetgeen [eiseres] in dit verband in hoger beroep naar voren heeft gebracht brengt het hof niet tot een ander oordeel. De consequentie hiervan is dat met het wegvallen van de overeenkomsten die het resultaat waren van de aanbesteding die VAOP heeft uitgevoerd ook het resultaat van de wijze waarop de gemeente aan de op haar rustende aanbestedingsplicht uitvoering heeft gegeven, is weggevallen. De gemeente zal daarom ook naar het voorlopig oordeel van het hof - opnieuw - aan die verplichting uitvoering moeten geven, zodat de desbetreffende vorderingen 1) en 2) van [eiseres] hierop stranden.
subsidiairevordering 3) inmiddels achterhaald is zodat [eiseres] bij die vordering geen belang (meer) heeft.
primairevordering 3) stelt [eiseres] zich op het standpunt dat nu de einddatum van de voorlopige afspraken over de continuering van de werkzaamheden, 1 januari 2012, is verstreken, deze afspraken gelding blijven houden tot het einde van de periode waarop haar overeenkomst met VAOP zag, derhalve tot en met 31 december 2015.
primairevordering 3) wordt afgewezen, zodat ook de vorderingen 4) en 5) niet voor toewijzing in aanmerking komen.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“(…) overheidsopdrachten voor diensten die door een aanbestedende dienst worden gegund aan een andere aanbestedende dienst of aan een samenwerkingsverband van aanbestedende diensten, op basis van een uitsluitend recht dat deze aanbestedende dienst geniet, mits dit uitsluitend recht met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verenigbaar is.”Een uitsluitend recht wordt in art. 1, aanhef en onder bbb, Bao omschreven als
“een recht dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van een bestuursorgaan aan een onderneming wordt verleend, waarbij voor die onderneming het recht wordt voorbehouden om binnen een bepaald geografisch gebied een dienst te verrichten of een activiteit uit te oefenen.”Het bepaalde in art. 17 Bao Pro strekt tot implementatie van art. 18 van Pro Richtlijn 2004/18/EG (hierna ook: de Richtlijn) [9] . In plaats van het begrip
“uitsluitend recht”hanteert de Richtlijn het begrip
“alleenrecht” [10] . De Richtlijn geeft geen definitie van dit begrip. Wel verlangt art. 18 van Pro de Richtlijn, anders dan het Bao, dat sprake is van bekendgemaakte wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, uit hoofde waarvan het alleenrecht wordt genoten [11] . In de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna ook: HvJ EU) is het bereik van het alleenrecht niet nader omlijnd [12] . De Europese Commissie heeft het standpunt ingenomen dat het begrip alleenrecht restrictief dient te worden uitgelegd, aangezien het gaat om de toepassing van een uitzonderingsbepaling [13] .
“het overdragen of het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan een bij of krachtens de verordening aangewezen inzameldienst”(art. 10.24 lid 1 aanhef en onder a Wm). De formulering
“bij of krachtens”brengt tot uitdrukking dat de inzameldienst niet in de verordening zelf behoeft te worden aangewezen, maar ook kan worden aangewezen bij besluit van burgemeester en wethouders, wanneer dat in de verordening is aangegeven [16] . De aan te wijzen inzameldienst kan een (inter)gemeentelijke inzameldienst of een inzamelbedrijf zijn [17] .
exclusievedienst in de Afvalstoffenverordening voor de inzameling en vermarkting van het in de Gemeente ter beschikking komende oud papier heeft aangewezen. Ik acht het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk, nu ook uit het (onmiskenbaar op art. 7 van Pro de Afvalstoffenverordening gebaseerde) besluit van het college van B&W van 30 juli 2010 en (de toelichting op) het aan dat besluit ten grondslag liggende advies kan worden afgeleid dat met dat besluit de verlening van een uitsluitend recht werd beoogd. Het besluit van 30 juli 2010 strekte immers ertoe dat de Gemeente, die zich blijkens dat besluit zeer wel bewust was dat de inzameling en de verwerking van oud papier in de Gemeente in beginsel
aanbestedingsplichtigwaren, de betrokken dienstverlening niettemin
zonder aanbestedingin een met VAOP te sluiten contract bij VAOP zou onderbrengen (hetgeen uit hoofde van een aan VAOP verleend uitsluitend recht toelaatbaar is), waarna het (in voorkomend geval) aan VAOP (die ook zelf als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt) zou zijn de betrokken werkzaamheden aan te besteden.
aanbestedingvan de inzameling spreekt. Voorts wordt aangevoerd dat het hof zonder enige motivering is voorbijgegaan aan het betoog van [eiseres] dat het vergaderverslag geen gewag maakt van een alleenrecht tot inzameling, maar slechts van een opdracht om deze inzameling aan te besteden. Dat klemt te meer, zo vervolgt het subonderdeel, nu het vergaderverslag vermeldt dat is besloten: (i)
“de opdrachtvoor de aanbestedingvan de inzameling en verwerking van oud papier voor de duur van 5 jaar onder te brengen bij de VAOP met een optionele verlengingsmogelijkheid van 5 jaar”, en (ii)
“de kosten voorhet begeleiden van de aanbestedingter grootte van € 3.000,- ten laste te brengen van het afvalbudget oud papier 2010”, terwijl de enige aanbesteding die heeft plaatsgevonden, door VAOP is begeleid.
“dienstverlening(waarmee blijkens de inleiding wordt bedoeld:
“de inzameling, afvoer en verwerking van oud papier”)
onder te brengen”bij VAOP. In dat verband wordt in de toelichting opgemerkt dat VAOP deze dienstverlening ook al voor de gescheiden afvalstromen glas, blik, drankenkartons en textiel verzorgt en dat daarmee dan alle gescheiden afvalstromen
“de komende jaren”bij VAOP zijn
“ondergebracht”. Gelet op deze bewoordingen is het mijns inziens niet onbegrijpelijk dat het hof mede op basis van het collegebesluit de conclusie dat de Gemeente van de alleenrechtuitzondering gebruik heeft gemaakt, gerechtvaardigd heeft geacht. Dat geldt temeer nu, anders dan het subonderdeel lijkt te veronderstellen, de formulering van het collegebesluit volgens welke de opdracht voor de
aanbestedingvan de inzameling en verwerking van oud papier bij VAOP wordt ondergebracht, geenszins onverenigbaar is met de perceptie van het hof dat de betrokken
dienstverlening(de inzameling, afvoer en verwerking van oud papier) uit hoofde van een uitsluitend recht en zonder aanbesteding aan VAOP is opgedragen. De bedoelde opzet impliceerde immers dat VAOP tot een Europese aanbesteding zou zijn gehouden, als zij (zoals aan VAOP en de Gemeente kennelijk reeds aanstonds voor ogen stond) de betrokken werkzaamheden aan (een) derde(n) zou willen opdragen. Met de bedoelde opzet is evenmin onverenigbaar dat het college van B&W ook rekening hield met (overigens bescheiden) kosten (ten bedrage van € 3.000,-) van het begeleiden van een zodanige aanbesteding. Het lag in die opzet immers voor de hand dat VAOP de door haar als aanbestedende dienst in gang te zetten aanbesteding met de Gemeente als eindverantwoordelijke voor de inzameling zou afstemmen en dat zulks ook voor de Gemeente kosten met zich zou brengen.
“De Gemeente geeft VAOP hierbij de opdracht om gedurende de duur van deze overeenkomst het huishoudelijk vrijkomend oud papier in de Gemeente in te zamelen en te vermarkten. (…)”). Aldus heeft het hof zijn oordeel voldoende gemotiveerd.
aanbestedingvan de inzameling.
aanbestedingvan de inzameling, faalt zij op grond van hetgeen bij de bespreking van subonderdeel 1.b reeds aan de orde kwam.
“Openbaar: ja”en
“Publicatie: ja”, terwijl voor besluiten in algemene zin geldt dat zij niet in werking treden voordat zij zijn bekendgemaakt (art. 3:40 Awb Pro).
“wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen”waarbij het uitsluitend recht is toegekend, maar heeft daarin slechts een bevestiging gezien dat op basis van de Afvalstoffenverordening bij het collegebesluit van 30 juli 2011 een alleenrecht aan VAOP is verleend (rov. 4.7:
“(…) Dit vindt bevestiging in de considerans van de overeenkomst tussen de gemeente en VAOP onder E (…)”).
voor de Gemeenteeen aanbestedingsprocedure heeft doorlopen, en (ii) de vermelding in art. 1.1 van deze overeenkomst dat de relevante diensten conform het gemeentelijk aanbestedingsbeleid zijn gegund
aan derden.
“(d)e Gemeente in dit verband VAOP als exclusieve dienst in de afvalstoffenverordening heeft aangewezen (…)”, en in de eerste zin van art. 1.1:
“(d)e Gemeente geeft VAOP hierbij de opdracht om gedurende de duur van deze overeenkomst het huishoudelijk vrijkomend oud papier in de Gemeente in te zamelen en te vermarkten”. Dat het hof deze passages klaarblijkelijk beslissend heeft geacht voor zijn oordeel dat de verlening van een alleenrecht zijn bevestiging vindt in de overeenkomst, is niet onbegrijpelijk. Anders dan het subonderdeel betoogt, doet hieraan niet af dat [eiseres] zich erop heeft beroepen dat in de considerans onder G is vermeld dat
“VAOP voor (…) de Gemeente (…), als aanbestedende dienst, een openbare Europese aanbestedingsprocedure heeft doorlopen”en dat in de tweede zin van art. 1.1 is vermeld
“(h)ierbij dient opgemerkt te worden dat de relevante diensten conform het gemeentelijk aanbestedingsbeleid door middel van een openbare Europese aanbesteding is gegund aan derden.”Een door de feitenrechter gegeven uitleg van een overeenkomst is immers niet reeds onbegrijpelijk, omdat een andere uitleg evenzeer mogelijk is [24] . Dat geldt temeer nu de geciteerde passages ook op zichzelf allerminst dwingen tot de conclusie dat de aanbestedingsprocedure geacht moet worden door de Gemeente te zijn gevoerd. De woorden
“voor de Gemeente”in de als eerste geciteerde passage (welke woorden het subonderdeel blijkens de onderstreping daarvan in dit verband beslissend acht) kunnen zeer wel aldus worden opgevat dat daarmee is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de door VAOP (nota bene:
“als aanbestedende dienst”) doorlopen aanbestedingsprocedure betrekking had op uiteindelijk ten behoeve van de Gemeente (op wie de wettelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen rust) te verrichten diensten. Ook het (in het subonderdeel onderstreepte) woord
“derden”in de als tweede geciteerde passage is niet onverenigbaar met de door het hof aan de overeenkomst gegeven uitleg. [eiseres], aan wie de VAOP de betrokken dienstverlening heeft gegund, was en is immers een derde ten opzichte van de Gemeente en VAOP, partijen bij de overeenkomst, ook en met name in het geval dat die dienstverlening haar niet door de Gemeente maar door VAOP is gegund en VAOP niet als tussenliggende schakel mag worden “weggedacht”. Het hof heeft voldoende inzicht in zijn gedachtegang geboden en behoefde dan ook niet uitdrukkelijk de door [eiseres] ingeroepen passages uit de overeenkomst te bespreken, zeker niet nu voor uitspraken in kort geding in beginsel minder strenge motiveringseisen gelden dan voor uitspraken ten gronde.
“overigens”in rov. 4.7, negende volzin, heeft het hof, ná reeds in de achtste volzin te hebben geoordeeld dat
“(e)en en ander (…) de conclusie (rechtvaardigt) dat gebruik is gemaakt en kon worden gemaakt van de alleenrechtuitzondering van artikel 17 Bao Pro”, in de negende volzin kennelijk ten overvloede gereleveerd dat
“[eiseres] (…) dit bij het pleidooi overigens verder ook niet meer (heeft) betwist”.
“geen nieuwe aanbestedingsplicht”) inhoudelijk niet gericht tegen het oordeel dat de Gemeente opnieuw dient aan te besteden, maar tegen het oordeel dat de Gemeente gebruik heeft kunnen maken en ook gebruik heeft gemaakt van de alleenrechtuitzondering van art. 17 Bao Pro door VAOP een uitsluitend recht te verlenen. Als ervan moet worden uitgegaan dat de Gemeente VAOP niet (rechtsgeldig) een uitsluitend recht heeft verleend, is daarmee echter niet gegeven dat VAOP (dus) als aankoopcentrale optrad en van een (quasi) inbesteding en/of van lastgeving sprake was. Het hof heeft in rov. 4.7, het standpunt van de Gemeente volgend (en in cassatie op zichzelf onbestreden), geoordeeld dat van een dergelijke situatie sprake had
kunnenzijn,
“maar dat die situatie zich in dit geval niet voordoet” [25] . Voor dat oordeel was kennelijk niet beslissend of al dan niet van de (rechtsgeldige) verlening van een uitsluitend recht sprake was.