Conclusie
1.[verweerster 1],
€ 92.000.
gewoon stug doorgaat met het bouwen van “verfraaiingen” aan het huis (niet met de aanbouw) Hij heeft een aantal muurtjes en zuiltjes gebouwd en een poort opgehangen. Cliënte maakt hier bezwaar tegen.” Het enkele bezwaar tegen de muurtjes, zuiltjes en een poort (kennelijk buiten) brengt echter niet mee dat [eiseres] aan [verweerder] duidelijk heeft gemaakt dat zij tegen alle uitgevoerde verbouwingen en verbeteringen in het huis bezwaar maakte. De aanbouw was bovendien expliciet van haar bezwaar uitgezonderd.
€ 62.000.
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen
nrs. 1-2 en 12). Het middel komt op tegen de oordelen van het hof omtrent de omvang van [eiseres]’ verrijking (
nrs. 3-14) en de redelijkheid van de door het hof aangenomen vergoedingsplicht (
nrs. 15-24). Voorts klaagt het middel (
in de nrs 25-29) dat [verweerder] door het oordeel van het hof meer dan volledige betaling ontvangt, omdat in de veroordeling geen rekening is gehouden met het aan [verweerder] toegekomen deel van de executieopbrengst (zie bij 1.20).
eerste onderdeelvan het middel (
nrs. 3-14) richt blijkens de tussenkop in het middel klachten tegen het oordeel over de omvang van de verrijking.
klacht in de nrs. 3-7is het hof er weliswaar terecht van uit gegaan dat bij het bepalen van omvang van de verrijking aansluiting moet worden gezocht bij objectieve maatstaven, maar heeft het hof ten onrechte, want in strijd met art. 25 Rv Pro, niet ook het feit betrokken dat bij de executieveiling een verkoopwaarde van € 222.000 is gebleken. Die verkoopwaarde is een objectief gegeven en er blijkt uit dat [eiseres] niet door de verrijking is gebaat. Het concrete verkoopresultaat acht het middel een meer objectieve maatstaf dan de waarde die een individuele taxateur aan de woning toekent, omdat de waarde van de verbouwing die [verweerder] heeft laten uitvoeren tijdens de veiling is geconcretiseerd (schriftelijke repliek, nrs. 8 en 10).
nrs. 11 en 12is, anders dan waarvan het hof in rov. 10.6.5 in fine is uitgegaan, de keuze van het moment waarop de waardevermeerdering van de woning moet worden vastgesteld, in de voorliggende situatie niet beperkt tussen het moment waarop de nietigheid is uitgesproken - te weten 29 april 2008 - en het moment waarop de Hoge Raad het cassatieberoep tegen dat oordeel ongegrond heeft bevonden: 11 september 2009. Uit rov. 3.6.3 sub d van het arrest Groene Specht blijkt dat het rechtens (minst genomen) toelaatbaar is om ter beoordeling van de vraag of een vergoedingsplicht van de verrijkte bestaat, onderscheid te maken tussen het tijdstip van de verrijking enerzijds en het tijdstip waarop de bate die aldus voor de verrijkte is ontstaan anderzijds.
nrs. 11 en 12feitelijke grondslag mist waar zij veronderstelt dat het hof voor het einde van de relevante periode mede heeft gekeken naar de datum van het hofarrest in eerdere bodemprocedure (29 april 2008), nu het hof daarvan niet is uitgegaan. Overigens wordt in rov. 3.5.3 sub d van het arrest 30 september 2005 de vraag of de verrijkte door de verrijking is gebaat, geplaatst (niet bij de vraag naar de omvang van de verrijking, maar) bij de vraag naar de redelijkheid van de schadevergoeding. Het hof is uitgegaan van het tijdstip van de verrijking (door hem, in cassatie in zoverre onbestreden, gesteld op de periode die besloten ligt in de in rov. 10.6.5, slot, genoemde data; zie bij 3.4) en heeft vervolgens een oordeel gegeven over de redelijkheid van de schadevergoeding.
nr. 10van het middel.
nr. 10aanvoert).
nrs. 8, 9 en 13berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en falen daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan klacht in
nr. 14aanvoert, staat de executie van het vonnis van de rechtbank los van de vraag of [verweerder] een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking op [eiseres] heeft en, zo ja, tot welk bedrag. De executie ziet uitsluitend op de voldoening van een eventuele vordering (zie nader bij 3.11 e.v.).
tweede onderdeelvan het middel (
nrs. 15-24) richt blijkens de tussenkop in het middel (verdere) klachten tegen het oordeel over de (on)redelijkheid van de vergoedingsplicht.
nrs. 15-18betoogt, kort gezegd, dat sprake is van een opgedrongen verrijking, stuit het af op het voldoende gemotiveerde oordeel van het hof in rov. 10.6.8 dat [eiseres] lopende de verbouwing niet aan [verweerder] kenbaar heeft gemaakt dat zij bezwaar maakte tegen alle verbouwingswerkzaamheden. [eiseres] had slechts laten weten niet in te stemmen met werk aan de riolering zolang de zaak nog onder de rechter was, en tegen de “verfraaiingen” buiten. Hetgeen het middel
sub 19-20nog aanvoert, voor zover dat betoog al feitelijke grondslag heeft, [16] maakt dat niet anders.
nrs. 21-22dat het hof ongemotiveerd is voorbij gegaan aan het beroep op eigen schuld aan de zijde van [verweerder] – welk beroep [eiseres] kennelijk leest in de MvG nrs. 54-55 (en CvA nrs. 9-11) − stuit eveneens af op rov. 10.6.8. Het hof heeft daarin immers gereageerd op het desbetreffende betoog van [eiseres]. Het hof kon een dergelijk beroep op eigen schuld verdisconteren in de redelijkheidstoets. [17]
nr. 23keert zich tevergeefs tegen een aan het hof voorbehouden, en niet onbegrijpelijke, lezing van de brief van 9 juni 2006.
nr. 24keert zich tevergeefs tegen een aan het hof voorbehouden, en niet onbegrijpelijke, lezing van de procestukken. De klacht miskent dat MvA nr. 40 goeddeels slechts een weergave vormt van het betoog van [eiseres] in de MvG en dat dit betoog wordt bestreden in de MvA nrs. 40 e.v.
derde onderdeelvan het middel (
nrs. 25-29) klaagt dat het arrest ertoe leidt dat [verweerder] meer dan volledige betaling ontvangt, omdat het hof ten onrechte niet verdisconteert dat [eiseres] door middel van de executie van de woning reeds een bedrag van € 125.000 aan [verweerder] heeft voldaan en dat het hof [verweerder] te zake jegens [eiseres] had behoren te veroordelen.
nrs. 31-32) is het oordeel onbegrijpelijk, omdat het hof miskent dat [verweerder] de woning op 28 maart 2011 moest ontruimen en [verweerder] er daarom zonder bezwaar voor had kunnen kiezen om de aan [eiseres] toebehorende inboedel in of bij de woning opgeslagen te laten, nu [eiseres] korte tijd na de door het gerechtshof besproken brief van 15 maart 2011 wederom haar intrek in de woning zou nemen.
nr. 33zelf al aangeeft: in de brief van [verweerder] van 15 maart 2011, waarnaar het hof verwijst, is onder meer aangegeven dat [verweerder] de woning ontruimde in verband met de door [verweerder] in gang gezette executieveiling die stond gepland voor 24 maart 2011. Het compromis tussen partijen waarbij de executie werd afgeblazen is nadien gesloten (op 23 maart 2011), waarna [verweerder] de woning heeft verlaten (op 27 maart 2011) en aan [eiseres] heeft teruggeleverd (op 29 maart 2011).
nr. 34) richt zich tegen een aan het hof voorbehouden, niet onbegrijpelijke lezing van de brief van 15 maart 2011. Het hof heeft uit de brief van 15 maart 2011 begrijpelijkerwijs niet a contrario afgeleid dat [verweerder] zich aansprakelijk achtte voor de inboedel van [eiseres] tot aan de datum van hun vertrek uit de woning.
nrs. 35-36) veronderstelt dat uit het proces-verbaal van de deurwaarder van 25 maart 2011, waarin wordt gesproken van
spullenin het tuinhuis, [23] en uit de e-mail van de notaris van 22 maart 2013 omtrent zijn waarneming ten tijde van de sleuteloverdracht, waarin wordt gesproken van
roerende zakenin het tuinhuis, [24] niet kan worden opgemaakt dat
inboedelin het tuinhuis stond opgeslagen. Daarbij wijst de klacht erop (
nr. 37) dat het hof niet constateert dat de
meubelsnog in of nabij de woning waren opgeslagen. Nu de zaken volgens het hof verloren zijn gegaan, verbindt de klacht daaraan de conclusie dat niet begrijpelijk is dat enig verwijt ter zake aan [verweerder] is uitgesloten.