ECLI:NL:PHR:2014:2445

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2014
Publicatiedatum
6 januari 2015
Zaaknummer
13/03050
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326.1 SvArt. 440 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van hoger beroepsarrest wegens ontbreken proces-verbaal terechtzitting

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld wegens poging tot doodslag tot een gevangenisstraf van negen maanden. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld door de raadsman van verdachte.

De kern van het cassatieberoep betreft het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 1996, dat niet in de gedingstukken aanwezig is. Ondanks verzoeken om het proces-verbaal alsnog te verkrijgen, heeft de griffier van het hof bevestigd dat het proces-verbaal niet opgemaakt is en niet meer kan worden hersteld.

De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim zo ernstig is dat het strijdig is met een behoorlijke procesorde en derhalve leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en van het daarop gebaseerde arrest. Het middel wordt gegrond verklaard en het arrest wordt vernietigd. Een tweede middel wordt niet behandeld vanwege het slagen van het eerste middel.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting door het ontbreken van het proces-verbaal.

Conclusie

Nr. 13/03050
Zitting: 4 november 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 2 februari 1996 verdachte wegens “poging tot doodslag, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. [1]
3. Namens verdachte heeft mr. M. Berndsen, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste middel
4.1. Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 1996 nietig is, nu het proces-verbaal van die zitting zich niet bij de stukken van het geding bevindt.
4.2. Blijkens het uittrekselarrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 februari 1996 is het arrest onder meer gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 1996.
4.3. De raadsman van verdachte heeft overeenkomstig het Procesreglement bij fax van 4 juli 2013 tijdig de rolraadsheer verzocht om alsnog in het bezit te worden gesteld van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 1996. Dit proces-verbaal bevindt zich niet bij de stukken van het geding. De griffier van het Hof heeft reeds direct na het instellen van het cassatieberoep (op 11 juni 2013) bij brief van 14 juni 2013 aan de Hoge Raad medegedeeld dat de aantekeningen van de griffier van hetgeen op 19 januari 1996 ter terechtzitting is voorgevallen niet in het dossier zitten en dat het derhalve niet mogelijk is het proces-verbaal van de zitting op te maken.
4.4. Op grond van het bericht van de griffier moet worden aangenomen dat verzuimd is een proces-verbaal van de terechtzitting op te maken en dat dit verzuim niet meer kan worden hersteld. Het verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en van het naar aanleiding daarvan gewezen arrest meebrengt. [2]
4.5. Het middel slaagt. Het tweede middel, dat klaagt dat de aanvulling bewijsmiddelen zich niet bij de stukken bevindt, kan buiten bespreking blijven.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaak tegen verdachte met nummer 13/03049, in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.
2.Vgl. HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0805.