Conclusie
eerste middelklaagt dat uit de bewijsvoering van het hof niet zonder meer kan worden afgeleid dat er ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde sprake is van medeplegen.
- dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] en een zekere [betrokkene 1] op 26 juli 2009 bij een Gamma een slijper, doorslijpschijven en een sloopbeitel heeft gekocht;
- dat soortgelijke voorwerpen
tweede middelklaagt dat uit de bewijsvoering van het hof niet zonder meer kan worden afgeleid dat ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde sprake is van medeplegen. Daartoe wordt aangevoerd dat de overweging van het Hof dat de verdachte met de medeverdachte [medeverdachte] op 4 augustus 2009 rond 04.47 uur in de kelderbox bezig was de buitgemaakte kluis open te slijpen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
derde middelklaagt dat uit de bewijsvoering van het hof niet zonder meer kan worden afgeleid dat ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde sprake is van medeplegen.
- dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] en een zekere [betrokkene 1] op 26 juli 2009 bij een Gamma een slijper, doorslijpschijven en een sloopbeitel heeft gekocht
- en dat soortgelijke voorwerpen in de kelderbox behorende bij de [a-straat] 68a te ’s-Gravenhage zijn aangetroffen,
- dat in de kelderbox ook de bij de diefstal bij [B] B.V. ontvreemde goederen worden aangetroffen, alsmede het DNA van de verdachte en enkele van zijn persoonlijke spullen.
vierde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.