Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
6 januari 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 6 januari 2015 het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van meerdere inbraken in augustus 2009.
Het hof had vastgesteld dat verdachte en een medeverdachte gezamenlijk en bewust de inbraken pleegden, onder meer op basis van vondsten in een kelderbox, camerabeelden, en aankopen van gereedschap. De verdachte had geen geloofwaardige verklaring gegeven voor de aanwezigheid van gestolen goederen en bivakmutsen in zijn bezit.
De Hoge Raad herhaalt dat het enkel voorhanden hebben van gestolen goederen niet automatisch bewijs is van het plegen van het delict, maar oordeelt dat het hof de feiten en omstandigheden voldoende heeft betrokken bij zijn oordeel. Ook de klacht over overschrijding van de redelijke termijn wordt erkend, maar leidt niet tot rechtsgevolgen gezien de lichte straf.
De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel dat verdachte in vereniging met anderen de inbraken heeft gepleegd en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling voor medeplegen van inbraken.