Conclusie
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 35 van Pro de Wet marktordening gezondheidszorg gegeven verbod, meermalen gepleegd”en 2.
“oplichting, meermalen gepleegd”– waarbij het hof de samenloop van de feiten in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 januari 2008 heeft opgevat als eendaadse samenloop – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met bijzondere voorwaarde als in het arrest vermeld en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de verdachte ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van tandarts voor de duur van drie jaren en heeft het beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.
opzettelijkheeft gehandeld en ten aanzien van feit 2 dat hij in de periode
van 1 januari 2005 tot 1 oktober 2006verzekeraars heeft opgelicht en dat hij het
oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen, aldus de steller van het middel.
het niet om het geld [heeft] gedaan” heeft het hof kennelijk aldus verstaan dat de verdachte hiermee
nietheeft willen betwisten de valse declaraties te hebben ingediend met het doel zich te bevoordelen met de gelden die daarop werden betaald. Het hof heeft deze passage kennelijk louter begrepen als verdachtes mededeling dat zelfverrijking niet zijn achterliggende motief was. Deze lezing van verdachtes verklaring is niet onbegrijpelijk. Een retorische vraag ter verduidelijking. Zou een Robin Hood, die zoals bekend van de rijken stal om aan de armen te geven, met zijn verklaring dat het hem niet om het geld te doen was ook het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben willen betwisten?
tweede middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van feit 1.
in rekeningkan brengen in het geval daarvoor in werkelijkheid geen grondslag bestaat. Wederom een analogie ter verduidelijking. Ofschoon een ‘factuur’ volgens Van Dales Groot woordenboek van de Nederlandse taal ‘een lijst van
geleverdegoederen’ behelst, kan een leverancier wel degelijk (vals) factureren in het geval hij die goederen niet daadwerkelijk heeft geleverd.
derde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.