Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
Het Gerechtshof Den Haag stelde verdachte bij beschikking van 25 juni 2013 buiten vervolging wegens grooming en kinderpornografische feiten. De Advocaat-Generaal stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking. Het hof oordeelde dat verdachte onrechtmatig was aangehouden en dat het kinderpornografisch materiaal onrechtmatig was verkregen, waardoor het bewijs moest worden uitgesloten. Het hof vond het hoogst onaannemelijk dat de strafrechter later tot een bewezenverklaring zou komen.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is en dat het hof te ver vooruitloopt op het oordeel van de strafrechter. Het hof heeft niet duidelijk gemaakt waarom de omstandigheden evident tot bewijsuitsluiting leiden. Ook is het niet vanzelfsprekend dat een onrechtmatige aanhouding leidt tot bewijsuitsluiting. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de feiten van kinderpornografie.
De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij bewijsuitsluiting en de terughoudende maatstaf die geldt bij beoordeling van onrechtmatigheden in het strafproces. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie over de beoordeling van vormverzuimen en bewijsuitsluiting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking buiten vervolging voor de kinderpornografische feiten wegens onvoldoende motivering van bewijsuitsluiting en verwijst de zaak terug.