Ofschoon de verdachte het voorafgaande gedrag van aangever als hinderlijk heeft ervaren en aangever niet een heenkomen heeft gezocht nadat hij door de verdachte op de grond was gelegd en hem aldaar de les was gelezen en de aangever integendeel de verdachte vervolgens bij zijn t-shirt greep en terwijl, hij door de verdachte werd weggeduwd, verdachte aan het t-shirt dat aangever nog steeds vasthad in zijn val meetrok, is het hof van oordeel dat met de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte geen sprake was van verdediging tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder dat verdachte niet heeft gesteld – en dat ook overigens niet aannemelijk is geworden – dat verdachte, nadat hij met aangever ten tweeden male op de grond was terechtgekomen, nog steeds aan zijn t-shirt werd vastgehouden, zodat niet aannemelijk is dat verdachte zich niet heeft kunnen verwijderen uit de positie hangend over de op de grond op zijn zij liggende aangever heen die hem meermalen sloeg maar slechts een maal raakte.
Gelet daarop wordt het verweer verworpen.’
7. Opmerking verdient allereerst dat de door het Hof gebezigde woorden dat ‘geen sprake was van verdediging tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding’ op zich zelf beschouwd niet zonder meer begrijpelijk zijn. Die woorden laten namelijk in het midden of het Hof nu van oordeel is dat er geen aanranding was of dat het Hof meent dat er geen aanranding is waartegen verdediging is geboden. Gelet op het vervolg kan het moeilijk anders dan dat de genoemde woorden zo gelezen moeten worden dat er weliswaar sprake was van een aanranding, maar dat daartegen geen verdediging geboden was. De slotoverweging van het Hof komt er namelijk op neer dat de verdachte zich had kunnen verwijderen en dat ook had moeten doen omdat hij niet langer door het slachtoffer aan zijn T-shirt werd vastgehouden. Vooruitlopend op hetgeen hieronder uiteen zal worden gezet, geef ik nu reeds aan dat ik dit oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk vind mede gelet op de door het Hof in zijn overweging vastgestelde feiten en omstandigheden en hetgeen de raadsvrouwe ter terechtzitting heeft aangevoerd.
8. Bij de beoordeling van het middel dient voorop te staan dat de vraag of de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken, niet in algemene zin is te beantwoorden. Het komt aan op de omstandigheden van het geval.
9. In de rechtspraak met betrekking tot het ‘vluchtvereiste’ kan een onderscheid gemaakt worden tussen een feitelijke en een normatieve vraag: bestond de mogelijkheid te vluchten (feitelijke vraag) en was de aangerande gehouden te vluchten (normatieve vraag)?
10. Met betrekking tot de te onderscheiden vragen schrijft mijn ambtegenoot Machielse het volgende:
‘Onjuist is in ieder geval de verwerping van een beroep op noodweer met de motivering dat verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken en dat dus ook had moeten doen. De rechter dient juist andersom tewerk te gaan. Hij zal zich eerst moeten afvragen of gevergd kon worden dat degene die zich op noodweer beroept zich aan de aanranding zou onttrekken en pas daarna, wanneer die vraag bevestigend is beantwoord, of vluchten voor verdachte ook mogelijk was.’
11. Met deze benadering stem ik in.
12. In de onderhavige zaak heeft het Hof wel vastgesteld dat de verdachte kon vluchten, maar heeft het niet aangegeven dat en waarom van de verdachte kon worden gevergd zich aan de aanranding te onttrekken. In zoverre is het arrest onvoldoende gemotiveerd.Tot cassatie zou dit niet behoeven te leiden indien op basis van hetgeen het Hof heeft overwogen en blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld, alsnog zou kunnen worden vastgesteld dat van de verdachte kon worden gevergd dat hij zich aan de aanranding zou onttrekken. Op basis van de overwegingen van het Hof lijkt eerder het tegendeel het geval.
13. Uit de overwegingen van het Hof volgt dat het slachtoffer meerdere keren de confrontatie met de verdachte heeft gezocht en dat het slachtoffer de verdachte tot tweemaal toe op de grond heeft (mee) getrokken. Zelfs nadat het slachtoffer de verdachte de eerste keer mee naar de grond had getrokken en de verdachte hem – zoals het Hof dat uitdrukt – de les had gelezen, heeft het slachtoffer opnieuw de confrontatie met de verdachte gezocht en hem wederom bij zijn T-shirt vastgepakt. Al op dat moment was zonder meer sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich in beginsel ook mocht verdedigen.
14. Zolang het slachtoffer de verdachte nog bij zijn T-shirt vast had, kon van de verdachte in redelijkheid niet worden gevergd dat hij zich verwijderde. Zodra het slachtoffer het T-shirt van de verdachte had losgelaten, wordt van belang dat de verdachte zich reeds eerder die avond had verwijderd nadat het slachtoffer hem mee naar de grond had getrokken (wederom door zich aan het T-shirt van de verdachte vast te houden). Vervolgens heeft het slachtoffer echter opnieuw de confrontatie met de verdachte gezocht en is hij deze door te slaan daadwerkelijk aangegaan met als gevolg de feiten waarvoor de verdachte terecht staat. Met andere woorden: duidelijk was geworden dat het zich verwijderen bepaald geen garantie bood voor een definitief einde aan de door het slachtoffer gezochte confrontatie.
15. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouwe de hierboven aangegeven feiten en omstandigheden naar voren gebracht door erop te wijzen dat de verdachte ‘meermalen geprovoceerd werd [door het latere slachtoffer, PCV] en al eerder, op slechts verbale wijze, had aangegeven dat hij met rust gelaten wilde worden maar toen opnieuw aan zijn T-shirt werd getrokken door de aangever, dat de aangever hem vervolgens juist mee naar beneden had getrokken door hem aan zijn shirt vast te houden.’
16. Samenvattend is het oordeel van het Hof, dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich heeft kunnen verwijderen uit de positie hangend over het op de grond op zijn zij liggende slachtoffer heen die hem meermalen sloeg maar slechts een maal raakte, in het licht van hetgeen de raadsvrouwe ter terechtzitting heeft aangevoerd en het Hof heeft vastgesteld, niet zonder meer begrijpelijk voor de verwerping van een beroep op noodweer. Het middel slaagt daarmee. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.