Conclusie
middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
- met zeer hoge snelheid te rijden over voornoemde Driebergsestraatweg, en
- het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig tot stilstand te brengen en de snelheid van dat motorrijtuig niet tijdig te verminderen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een aanrijding te voorkomen met een, zich voor zijn, verdachtes, motorrijtuig op die weg bevindende motorfiets, met daarop gezeten [slachtoffer], en
- vervolgens nog steeds met zeer hoge snelheid aan te rijden tegen de achterkant van voornoemde motorfiets,
waardoor voornoemde [slachtoffer] werd gedood.”
Schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 te komen dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte schuld heeft in de zin van die bepaling, derhalve dat hij zich ten minste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. De rechtbank verwijst hierbij naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 1 juni 2004 (NJ 2005, 252 en LJN A05822).
De conclusies van de verkeersongevallenanalyse en het NFI luiden dat verdachte minimaal 98 kilometer per uur bedroeg respectievelijk dat verdachte op het moment waarop het eerste contact tussen auto en motor plaatsvond (dus na het remmen) minimaal 76 en maximaal 143 kilometer per uur moet hebben gereden. Deze conclusies bieden, zo is de rechtbank met de verdediging van oordeel, vanwege de ruime marge weinig houvast. De rechtbank heeft deze dan ook niet gebruikt voor het bewijs. Daar staat tegenover dat deze conclusies hetgeen de getuigen hebben verklaard met betrekking tot de hoge snelheid van verdachte, niet uitsluiten.