3.1In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) NSC, eigenares van een industrieterrein (hierna: het perceel), gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats], heeft vanaf 1979 tot 1993 op het perceel een fabriek voor smeltlijmen geëxploiteerd. Sinds 1993 heeft NSC haar activiteiten op het perceel gestaakt.
(ii) In 1996 heeft [verweerster] in opdracht van NSC de bedrijfsinventaris uit de fabriekshal verwijderd, waarbij enkele asbesthoudende golfplaten zijn afgevoerd.
(iii) Bij koopakte van 9 december 1997 is het perceel verkocht aan een projectontwikkelaar die voornemens was daarop woningbouw te ontwikkelen. NSC heeft zich verplicht de bodemverontreiniging te doen wegnemen.
(iv) In december 1997 heeft [A] B.V. (hierna: [A]) een bodemonderzoek verricht; zij heeft daarvan op 22 december 1997 een rapport uitgebracht. Daarin is van de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal geen melding gemaakt.
(v) NSC en [verweerster] hebben een overeenkomst gesloten met betrekking tot door [verweerster] te verrichten werkzaamheden. Volgens de opdrachtbevestiging, gedateerd 9 december 1997, hield het werk in: "het slopen, afvoeren en storten van de afkomende materialen van de bovengenoemde fabriekshallen, aanbouwen en opstallen incl. fundaties en kelders, verhardingen en bosschages binnen het hekwerk (...)".
(vi) Tijdens het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden is [verweerster] gestuit op asbesthoudend puin onder de betonvloer van een tot de fabriek behorend bijgebouw.
(vii) Medio januari 1998 heeft [verweerster] de klinkerverharding van het parkeerterrein verwijderd. Bij het verwijderen van die verharding is een puin/zandlaag vrijgekomen. [Verweerster] heeft NSC toen voorgesteld de laag te zeven en de zeefdoorslag over het terrein te verspreiden. NSC heeft [verweerster] daartoe opdracht gegeven. Op 19 januari 1998 is [verweerster] begonnen met het verwijderen van de laag; op 20, 21 en 22 januari 1998 is het materiaal met een zeefinstallatie - met maaswijdte 4,5 cm - gescheiden in grof materiaal en fijner materiaal. Het grof materiaal is op 23 januari 1998 afgevoerd naar de Veluwse Afval Recycling (VAR). In alle twintig vrachtwagens met puin die door [verweerster] aan de VAR zijn aangeboden, is door de VAR asbesthoudend materiaal aangetroffen. De VAR heeft op die grond alle ladingen afgekeurd (voor hergebruik).
(viii) De door [verweerster] verrichte werkzaamheden zijn uitsluitend met personeel van [verweerster] en niet onder directie van NSC of anderen uitgevoerd.
(ix) In mei 1998 is geconstateerd dat de bovengrond van het perceel over een groot oppervlak was verontreinigd met asbesthoudend materiaal.
(x) [A] heeft op 11 november 1998 een rapport uitgebracht, waarin de saneringskosten - afhankelijk van de te saneren oppervlakte - worden gesteld op circa ƒ 1.240.000,-- dan wel circa ƒ 650.000,--.