ECLI:NL:PHR:2014:280

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2014
Publicatiedatum
16 april 2014
Zaaknummer
13/03846
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 24 Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest voorbereiding diefstal met geweld wegens onvoldoende bewijsbestemming

Op 23 maart 2010 werd verdachte in een grijze Volkswagen Golf aangetroffen met diverse voorwerpen zoals ploertendoders, pepperspray, een koevoet, kogelwerende vesten en bivakmutsen. Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte voor voorbereiding van diefstal met geweld en/of afpersing en het bezit van verboden wapens.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de voorwerpen bestemd waren voor een concreet misdrijf. Hoewel de voorwerpen onmiskenbaar voor criminele doeleinden geschikt zijn, ontbreekt bewijs dat verdachte een bepaald misdrijf voor ogen had. Het zwijgen van verdachte en de briefing over inbraken met een vergelijkbare auto zijn onvoldoende om het specifieke misdadig doel vast te stellen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De overige veroordelingen blijven in stand. De conclusie benadrukt dat voorbereiding slechts strafbaar is indien gericht op een geconcretiseerd misdrijf, wat hier niet voldoende is aangetoond.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering van de bewezenverklaring.

Conclusie

Nr. 13/03846
Mr. Spronken
Zitting: 11 maart 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 5 maart 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld en/of afpersing” (feit 2), “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”(feit 3) en “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Tevens heeft het hof een aantal in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard.
Mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt dat de door het hof onder feit 2 bewezenverklaarde voorbereiding van gekwalificeerde diefstal niet uit de bewijsmiddelen volgt en dat de bewezenverklaring onvoldoende en onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Het hof heeft onder feit 2 bewezenverklaard dat verdachte:
“op 23 maart 2010 te Amsterdam ter voorbereiding van een te plegen misdrijf, te weten diefstal met geweld en/of afpersing, opzettelijk voorwerpen, te weten:
- drie ploertendoders en
- drie busjes traangas en
- een koevoet
- twee kogelwerende vesten en
- twee bivakmutsen,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad”.
5. Blijkens de aanvulling op het arrest heeft het hof de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
“Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4:
1. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal - als bijlage gevoegd bij registratienummer: 2010073237-1 (pag. 7-10) - gesloten op 23 maart 2010, nummer 2010073237-4, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden surveillant van politie, dienstdoende bij Deo Flexibiliteit, houdende - zakelijk weergegeven - het relaas van de verbalisanten:
(pag. 7) Op 23 maart 2010 bevonden wij verbalisanten ons in uniform gekleed op onze dienstfietsen op de Prins Hendrikkade ter hoogte van perceel 33. Wij zagen een grijze Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [AA-00-BB] stilstaan op een laad- en loshaven. Wij zagen in deze auto een man op de bestuurdersstoel zitten. Wij, verbalisanten, zagen dat deze man duidelijk niet met het uitvoeren van laad- en losactiviteiten bezig was.
(pag. 8) Ik, eerste verbalisant, heb hierop de man staande gehouden ter zake overtreding van artikel 24, eerste lid, sub f van het reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990, zijnde als bestuurder een voertuig parkeren op een gelegenheid bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen.
Het was ons, verbalisanten, middels een voorafgaande briefing bekend dat er door een aantal personen met een grijskleurige Volkswagen, type Golf verscheidene inbraken in auto's pleegden.
Ik, eerste verbalisant, vroeg aan de man of wij, verbalisanten, in de kofferbak mochten kijken. De man zei: "Oke" en stapte zijn auto uit en deed de kofferbak open.
Wij, verbalisanten, keken in de kofferbak en zagen één groen kleurige jerrycan, één witte plastic tas met daarin een daaruit stekende roodkleurige koevoet, één rubberen hamer en een groenkleurige sporttas met een ABN-AMRO teken erop liggen en een plastic tas met een Albert Heijn logo. Deze plastic tas was open. Wij, verbalisanten, zagen in deze plastic tas een zwart kleurige regenjack liggen met daarnaast een zwartkleurige bivakmuts.
Ik, tweede verbalisant, vroeg aan de man of dat wij in de plastic tas mochten kijken. Hierop antwoordde de man: "Yes".
Ik, eerste verbalisant, keek in de tas en zag dat er twee bivakmutsen in zaten. Ik, eerste verbalisant, haalde de zwartkleurige regenjack uit de tas en zag onder in de tas, peperspray en een zwartkleurige ploertendoder liggen. Hierop hebben wij, verbalisanten, de man aangehouden ter zake overtreding van de Wet wapens en munitie.
(pag. 9) Na het aantreffen van het busje pepperspray en de ploertendoder in het voertuig waarin de verdachte zat en het aanhouden van de verdachte hebben wij, verbalisanten, het betrokken voertuig inbeslaggenomen.
Wij hebben het voertuig overgebracht naar het bureau van politie Nieuwerzijds Voorburgwal. Hierop hebben wij een onderzoek ingesteld aan het voertuig.
Tijdens het onderzoek troffen wij, verbalisanten, - voor zover van belang voor de bewijsvoering - het volgende aan:
3 zwarte ploertendoders van het merk: BLACKFIELD;
2 zwarte busjes pepperspray van het merk: Black Pepper;
1. rood Busje pepperspray van het merk: Scorpion Security;
1. rubberen hamer
1. rode koevoet;
2 zwarte kogelwerende vesten;
2 zwarte bivakmutsen.
(pag 10) Alle goederen zijn aangetroffen in de kofferbak van het voertuig.
2. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal - als bijlage gevoegd bij registratienummer: 2010073237-1 (pag. 123-126) - gesloten op 30 maart 2010, nummer 2010073237-23, door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden surveillant van politie, dienstdoende bij Deo Flexibiliteit, houdende - zakelijk weergegeven - het relaas van de verbalisanten:
(pag. 124) Op vrijdag 26 maart 2010 stelde ik, eerste verbalisant, een onderzoek in naar de herkomst en de aankoop van een breekijzer en een rubberen hamer aangetroffen in de kofferbak van de Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. De bovengenoemde goederen zijn aangetroffen in dan wel naast een plastic zakje die afkomstig was van doe-het-zelfwinkel [A].
[A] verkoopt maar een merk koevoet deze zijn allen roodkleurig.
Medewerker [betrokkene 1] heeft een man een breekijzer en een rubberen hamer zien kopen. Dit was eind vorige week mogelijk zaterdag anders maandag van deze week.
(pag. 125) Op vrijdag 26 maart 2010 te 16.00 uur bezoeken de eerste en tweede verbalisant de doe-het-zelfwinkel [A]. Verbalisant wordt hierbij aangeduid als V. Medewerker [A] wordt hierbij aangeduid als M.
Het hieronder getoonde gesprek nam plaats met medewerker [betrokkene 1].
V: Kan jij een omschrijving geven van de persoon die jij een hamer en breekijzer hebt zien kopen? M: Ik zag een man met een getint uiterlijk met kort gemillimeterd haar.
Hij was rond de 1.80 meter lang.
Hij droeg een geel shirt met korte mouw en een jogging broek grijs kleurig.
Ik schat de man tussen de 20 en de 30 jaar oud.
Ik denk dat de man buitenlands sprak maar ik weet niet meer welke taal.
Hij is twee keer geweest. Een keer voor het breekijzer een keer voor de hamer.
Verbalisant laat foto zien van [verdachte].
V: Herkent u deze man?
M: Volgens mij is dat hem die kop komt mij bekend voor.
Tweede verbalisant spreekt met [betrokkene 2] de caissière.
V: Heeft u deze week of vorige week een breekijzer of een rubber hamer verkocht?
M: Ja, beide ik denk donderdag of vrijdag middag van vorige week
Tweede verbalisant laat foto van [verdachte] zien.
V: Herkent u deze man?
M: Ja, ik herken hem hij heeft bij mij afgerekend.
Medewerker [betrokkene 3] vraagt middels het interne computer systeem van doe-het-zelfwinkel [A] de artikel nummers op van de betreffende goederen. Hieruit blijkt dat zowel de rubber hamer als het breekijzer gekocht te zijn op 17 maart 2010.
Medewerker [betrokkene 1] komt terug en zegt: "Ik weet toch wel zeker dat de man op de foto de man is die ik gezien heb."
3. een op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakt proces-verbaal - als bijlage gevoegd bij registratienummer: 2010073237-1 (pag. 38) - gesloten op 24 maart 2010, nummer 2010073237-9, door [verbalisant 3], hoofdagent Wijkteam Nieuwerzijdse Voorburgwal, houdende -zakelijk weergegeven - de verklaring van verdachte:
Ik wil alleen maar zeggen dat ik de spullen die in mijn auto liggen wil houden.”
6. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het hof het volgende overwogen:
“Het hof is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat twee goederen die in de auto zijn aangetroffen, te weten de koevoet en de rubberen hamer, ongeveer 6 dagen voor zijn aanhouding door verdachte zijn gekocht. Deze goederen zijn aangetroffen in de kofferbak van de personenauto vlakbij de overige in de tenlastelegging genoemde goederen. Een aantal van die goederen zijn bij elkaar in een plastic tas aangetroffen. Gezien deze omstandigheden acht het hof bewezen dat verdachte de goederen zelf in de personenauto heeft gelegd of in ieder geval wist dat deze goederen in de auto lagen. Hieruit volgt dat verdachte deze goederen opzettelijk voorhanden heeft gehad. Deze stelling wordt nog ondersteund door de verklaring van verdachte dat hij graag zijn spullen, die in de auto lagen, wil behouden. Verdachte maakt daarbij geen onderscheid tussen de aangetroffen goederen.
Krachtens geldende jurisprudentie (Hoge Raad 20 februari 2007, LJN AZ0213) dient te worden beoordeeld of genoemde voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.
Het hof stelt op grond van het hierboven aangehaalde proces-verbaal van bevindingen vast dat verdachte is aangetroffen in een stilstaande grijskleurige Volkswagen Golf. In de auto zijn de in de tenlastelegging genoemde goederen aangetroffen. Het hof is van oordeel dat de ploertendoders, de pepperspray en de kogelwerende vesten zijn gericht op aanval en/of verwacht verzet. Deze goederen zijn, in combinatie en in onderlinge samenhang met elkaar en met de koevoet en de bivakmutsen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het plegen van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven.
Het hof weegt in de waardering van het bewijs mee dat verdachte voor voornoemde redengevende omstandigheden geen redelijke verklaring heeft gegeven. Het hof acht bewezen dat verdachte de voorwerpen voorhanden heeft gehad met het voornemen om daarmee een diefstal met (bedreiging van) geweld, dan wel afpersing te plegen.”
7. In het middel wordt - samengevat - betoogd dat noch uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit de bewijsoverwegingen blijkt dat de aangetroffen voorwerpen bestemd waren om een bepaald misdrijf te plegen. Uit de bewijsoverwegingen van het hof blijkt weliswaar dat de voorwerpen dienstig
kunnenzijn voor het plegen van diefstal met geweld en/of afpersing, maar dat is niet voldoende voor een bewezenverklaring. Het feit dat verdachte niet heeft willen verklaren, mag weliswaar in de bewijsoverwegingen worden betrokken voor zover het zwijgen ertoe heeft geleid dat geen redelijke verklaring wordt gegeven voor belastende omstandigheden, maar kan niet bijdragen aan de conclusie dat verdachte het specifieke misdrijf van diefstal met geweld voor ogen had. De briefing dat dat een aantal personen met een grijskleurige Volkswagen, type Golf, verscheidene inbraken in auto's pleegden, terwijl verzoeker in een dergelijke auto werd aangetroffen, kan daar evenmin aan bijdragen.
8. Ik ben het met de steller van het middel eens. Weliswaar kan op grond van de aard van de aangetroffen voorwerpen, te weten ploertendoders, pepperspray, een rubberen hamer, een koevoet, kogelwerende vesten en bivakmutsen nauwelijks worden getwijfeld dat deze voor een crimineel doel bestemd waren, maar dit is niet voldoende is om bewezen te achten dat verdachte inderdaad de intentie had daarmee diefstal met geweld en/of afpersing te plegen. Voorbereiding is immers niet in zijn algemeenheid strafbaar, maar alleen als het gaat om een geconcretiseerd en bepaald misdrijf. [1]
9. De plannen om een bepaald misdrijf (of bepaalde misdrijven) te plegen, moeten wel ergens uit blijken. Naar mijn mening is dat in onderhavige zaak niet het geval. Van concrete plannen om diefstal te plegen ontbreekt iedere aanwijzing en er is toch enig bewijs nodig waaruit de voorbereiding daarvan blijkt. [2] Dit brengt mee dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De Hullu, Materieel strafrecht 2012, p. 400, waar hij schrijft: “Wanneer mensen zich bijvoorbeeld met vermommingen en wapens in een auto met draaiende motor bevinden, kan daaruit immers meestal wel worden afgeleid dat zij slechte plannen hebben, maar nog niet zonder meer welke plannen dat precies zijn.”
2.Zie HR 17 februari 2004, NJ 2004, 400 m.nt. Reijntjes; de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voor HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4481 (HR 81RO); HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179.