ECLI:NL:PHR:2014:302

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2014
Publicatiedatum
18 april 2014
Zaaknummer
14/01472
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 392 RvArt. 393 lid 9 RvArt. 394 lid 1 RvArt. 4:67 WftRichtlijn 87/344/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet in behandeling nemen prejudiciële vraag over vrije advocaatkeuze bij ontslagprocedure UWV

In deze zaak stelde de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad over de vraag of een rechtsbijstandverzekering recht geeft op vrije advocaatkeuze bij een ontslagprocedure bij het UWV, in het kader van art. 6 BBA Pro en Richtlijn 87/344/EEG.

DAS betoogde dat de ontslagprocedure niet valt onder de definitie van een administratieve procedure zoals bedoeld in de richtlijn en de Nederlandse wetgeving, en dat vrije advocaatkeuze daardoor niet verplicht is. De Procureur-Generaal constateerde dat het belang van rechtsbijstandverzekeringen groot is, vooral voor minder draagkrachtigen, en dat het behoud van dergelijke verzekeringen een algemeen belang dient.

Echter, de conclusie was dat de zaak niet rijp is voor beantwoording van de prejudiciële vraag. Er is onvoldoende en onvoldoende betrouwbare informatie over de impact van een dergelijke uitspraak op de rechtsbijstandverzekeringsmarkt. Bovendien is er geen spoedeisend belang, omdat de ontslagvergunning waarschijnlijk al is toegekend voordat de Hoge Raad zou kunnen beslissen.

Daarom concludeert de Procureur-Generaal tot het niet in behandeling nemen van de prejudiciële vraag. Dit besluit benadrukt de noodzaak van gedegen onderbouwing en het belang van het algemene belang bij rechtsbijstandverzekeringen, maar ook de beperkingen van de prejudiciële procedure in dit geval.

Uitkomst: De Hoge Raad neemt de prejudiciële vraag over vrije advocaatkeuze bij ontslagprocedures niet in behandeling wegens ontbreken spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing.

Conclusie

Parket 3 april 2014
mr. J. Spier
14/01472
Prejudiciële vraag (in behandeling nemen?)
Conclusie inzake
[eiser]
tegen
DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.
(hierna: DAS)
1. In deze zaak heeft de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam bij vonnis van 18 maart 2014 een prejudiciële vraag aan Uw Raad gesteld.
2. Inzet van de procedure is de vraag of [eiser] onder de door DAS verstrekte rechtsbijstandverzekering recht heeft op vrije keuze van een advocaat met het oog op het voeren van verweer tegen de aanvraag van een ontslagvergunning door zijn werkgever. DAS meent dat dit niet het geval is omdat het in casu niet gaat om een administratieve procedure als bedoeld in de vigerende richtlijn (87/344/EEG) en de daarop geënte Nederlandse wetgeving.
3. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat een vrije advocatenkeuze voor kwesties als de onderhavige gevolgen zou
kunnenhebben voor de beschikbaarheid van rechtsbijstandverzekeringen voor een redelijke premie (wat dat laatste dan ook moge betekenen). DAS heeft daar bij pleidooi uitvoerig op gewezen. Haar betoog klinkt op zich niet onaannemelijk, maar onderbouwd is het nauwelijks. In zoverre herhaalt de geschiedenis zich eindeloos. De (Nederlandse) rechter is er aan gewend geraakt door repeat-players getrakteerd te worden op roerende verhalen zonder relevante onderbouwing. Verhalen die zeker niet steeds stroken met de realiteit.
4. Men zou een ogenblik kunnen menen dat het de soevereine keuze van DAS is om het risico te lopen dat ze haar eigen glazen ingooit, zoals ze in mijn ogen ook heeft gedaan in de zaak [A]/DAS. [1] Op zich is dat natuurlijk juist. Maar er staat veel meer op het spel.
5. We leven, helaas, in een tijd waarin allerlei verworvenheden in recordtempo worden afgebroken. Daarbij gaat het onder meer om wezenlijke kwesties zoals de gezondheidszorg, hulp aan bejaarden, [2] onderwijs, [3] minimumuitkeringen [4] en pensioenen. Ook de gefinancierde rechtshulp moet eraan geloven, terwijl de toegang tot de rechter steeds duurder wordt. [5] Ik laat rusten of door al deze ingrepen Nederland door de bodem van internationale verdragen is gezakt. Thans is voldoende maar ook noodzakelijk erop te wijzen dat rechtsbijstandverzekeringen in een dergelijke setting een steeds belangrijker rol (kunnen) gaan spelen; zeker ook in een tijd waarin minder draagkrachtigen (en in toenemende mate ook niet werkelijk vermogenden) in allerminst denkbeeldige scenario’s in (financiële) moeilijkheden komen; in zoverre hangen de zojuist genoemde onderwerpen samen. Ze illustreren immers niet alleen dat rechtsbijstand nodig kan zijn, maar ook en vooral dat de middelen om deze te bekostigen voor een steeds grotere groep afneemt. Met het behoud van dergelijke verzekeringen is dus een algemeen belang gemoeid. DAS heeft daarop terecht gewezen. [6]
6. Ik zeg daarmee niet dat rechtsbijstandverzekeraars hun kwaliteitsclaim steeds waarmaken, wat een relevante factor zou kunnen zijn bij een uitleg van de onder 2 genoemde bepalingen. Over de vraag of zij dat doen, kunnen – zeker in een communautaire context – allicht geen algemene uitspraken worden gedaan, net zo min als dat mogelijk is voor allerlei andere takken van bedrijvigheid en het werk van beroepsbeoefenaren van diverse pluimage. Ik ben niet in staat en heb ook geen behoefte mij in dat debat te mengen.
7. Met de Kantonrechter acht ik het voorshands allerminst onaannemelijk dat Uw Raad, zou hij de vraag gaan beantwoorden, zelf één of meer prejudiciële vragen zou willen stellen. Strikt nodig is dat
wellichtniet omdat het gaat om een kort geding, [7] maar het ligt m.i. erg voor de hand als Uw Raad zou menen dat geen sprake is van een acte clair. Bovendien valt er zeker wat te zeggen voor de gedachte dat de gehoudenheid in casu wél bestaat voor het geval zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is van een acte clair of éclairé nu het gaat om een prejudiciële vraag; zie art. 394 lid 1 Rv Pro., al erken ik dat de daar genoemde gebondenheid strikt genomen slechts geldt voor de rechter die de vraag heeft gesteld. In een bodemprocedure zou in theorie dus anders kunnen worden beslist
8. Om de zojuist genoemde aan het algemeen belang ontleende grond acht ik nuttig en nodig dat zoveel mogelijk
relevanteen
controleerbareof
ten minste objectief bezien voldoende betrouwbare [8] gegevens op tafel komen over kwesties zoals:
a) het aantal geschillen als de onderhavige dat jaarlijks aan DAS wordt voorgelegd;
b) de daarmee gemoeide kosten en het tijdsbeslag;
c) kwantitatief inzicht (aantallen en kosten) in vergelijkbare kwesties als de onderhavige (bijvoorbeeld het maken van bezwaar voorafgaand aan administratief beroep);
d) hoe gaan buitenlandse verzekeraars met dit soort kwesties om? Daarbij is andermaal mede van belang om een inzicht te krijgen in aantallen en kosten;
e) het premieniveau, de totale premiesom en de totale gemaakte kosten. [9]
9. Door ondervinding wijs geworden, stip ik nog aan dat in mijn beleving niet zonder meer kan worden afgegaan op gegevens van verzekeraars(organisaties) en met name ook niet van DAS; ik heb dat in mijn conclusies in de zaak [A]/DAS kort aangestipt. [10]
10.1 Ik weet uiteraard niet of Uw Raad mijn mening deelt dat gegevens als zojuist bedoeld van belang zijn. [11] Maar zelfs als Uw Raad zou menen dat dit niet het geval is, is daarmee nog niet gezegd dat ze er niet toe (kunnen) doen. Als Uw Raad zou overwegen om prejudiciële vragen te stellen, komt het immers ook aan op het gevoelen van het Europese Hof van Justitie.
10.2 Mijn indruk, gebaseerd op een reeks arresten
zoalsde vergoedingen voor vertraging van vluchten, is dat dit Hof niet gemakkelijk bereid is om af te stappen van een uitleg zoals het deze
strikt juridischjuist acht.
11. Dit alles brengt mee dat het riskant is om belangrijke argumenten, die
mogelijkhet voortbestaan van de rechtsbijstandbranche of rechtsbijstandverzekeringen tegen redelijke premies in het hart raken, aan de hoogste rechter van de Europese Unie voor te leggen zonder dat hem duidelijk en overtuigend inzicht wordt geboden in de mogelijke gevolgen van deze of gene uitspraak.
12. In theorie zou art. 393 lid 2 Rv Pro. soelaas kunnen bieden in verband met de hiervoor bedoelde problematiek. Om een aantal redenen meen ik evenwel dat de daar geplaveide weg niet garant staat voor het verkrijgen van (voldoende) relevante en betrouwbare informatie:
a. a) over de binnengekomen “schriftelijke opmerkingen” is geen debat mogelijk, wat (ook) uit een oogpunt van het recht op hoor- en wederhoor, m.i. problematisch is;
b) de juistheid van dergelijke opmerkingen is niet controleerbaar;
c) het lijkt vrijwel ondoenlijk om binnen korte termijn de beschikking te krijgen over informatie als in mijn ogen wenselijk en nodig.
13. Ik kom tot een afronding. Deze zaak is m.i. niet rijp voor beantwoording van de gestelde vraag. Daarom concludeer ik tot het niet in behandeling nemen daarvan.
14.1 Ten overvloede: m.i. is geen sprake (meer) van een spoedeisend belang. Aangenomen mag worden dat een beslissing over de ontslagvergunning zal zijn genomen ruim voordat Uw Raad de gestelde vraag kan beantwoorden, zelfs wanneer door Uw Raad geen prejudiciële vraag zou worden gesteld.
14.2 De voorzieningenrechter heeft er nog op gewezen dat onbetwist vaststaat dat [eiser] zelf geen advocaat kan betalen (rov. 4.1). Maar ook wanneer daarvan wordt uitgegaan, zie ik niet in waarom er een spoedeisend belang is omdat het dan van tweeën één is: ofwel [eiser] zal genoegen moeten nemen met de door DAS aangeboden hulp of hij zal een advocaat moeten vinden die bereid is om (voorlopig) af te zien van betaling. Bovendien, maar dat is een keuze die [eiser] zelf moet maken: juist voor iemand die de kosten van een advocaat niet kan betalen (gevorderd wordt een voorschot van € 5.000) is niet van risico gespeend om in procedures als de onderhavige verzeild te raken gelet op de proceskostenveroordeling als hij zou verliezen.
Conclusie
Deze conclusie strekt ertoe om de gestelde prejudiciële vraag niet in behandeling te nemen omdat deze zich niet leent voor een prejudiciële beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.In de onderhavige zaak had DAS niet veel tijd en gelegenheid om relevant materiaal te etaleren. Tussen de dagvaarding en de mondelinge behandeling zaten twaalf dagen.
2.Het eind is nog niet in zicht; zie NJB 2014/662 p. 811 en 812.
3.Zie bijvoorbeeld het rapport van de Kinderombudsman van 16 mei 2013, Van leerplicht naar leerrecht.
4.Zie bijvoorbeeld het rapport van de Kinderombudsman van 25 juni 2013, Kinderen in armoede.
5.Zie bijvoorbeeld Lydia Charlier, NJB 2014/621 p. 767 en HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699 (belasting kamer).
6.Pleitnota mr. Rupert onder 4.
7.HvJ EG 27 oktober 1982, Jur. 1982, p. 3723, NJ 1983/350.
8.Ik doel daarmee op gegevens die zijn verzameld en gecontroleerd door
9.Vgl. mijn addendum onder 3 voor HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:396.
10.Voor HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7507 (het eerste arrest [A]/DAS) en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:396, RvdW 2014/369 (het tweede arrest [A]/DAS).
11.Uit het eerste arrest in de zaak [A]/DAS leid ik af dat dit het geval is; zie rov. 3.7.5. Het gaat daar intussen slechts om de weergave van het standpunt van DAS, maar de enkele omstandigheid dat Uw Raad het vermeldt, doet vermoeden dat hij het relevant acht indien het feitelijk juist zou zijn.