Conclusie
Fase 1: kwalitatieve selectie
“kan zij dan ook niet, zoals in paragraaf 3.2 verwoord, tijdens de verificatie afvallen”, aldus de Gemeente.
2.Belang bij het cassatieberoep
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“beginselen van aanbestedingsrecht”. Met
subonderdeel 1.1en
subonderdeel 1.2wordt geklaagd dat het hof ten onrechte niet heeft geoordeeld dat uit de beginselen van aanbestedingsrecht - het gelijkheidsbeginsel in samenhang met het transparantiebeginsel - in het onderhavige geval, waarin drie inschrijvingen ten opzichte van elkaar worden beoordeeld, als regel voortvloeit dat een na verificatie gebleken ongeldige inschrijving geen rol mag spelen in de beoordeling van de resterende inschrijvingen. Het gelijkheids- en transparantiebeginsel brengen, zo betoogt het middel, met zich dat een ongeldige inschrijving geen rol mag spelen in de totstandkoming van de gunningsbeslissing, ongeacht in welk stadium de ongeldigheid wordt geconstateerd. Het middel betoogt dat, als in rechte komt vast te staan dat een ongeldige inschrijving toch geldig is, het gelijkheidsbeginsel volgens vaste rechtspraak meebrengt dat de aanbestedende dienst deze inschrijving alsnog beoordeelt en de rangorde daarop aanpast. Hetzelfde heeft volgens het middel te gelden in een spiegelbeeldig geval als het onderhavige, waarin de inschrijving van Océ is meegenomen in de beoordeling, maar alsnog ongeldig is verklaard. Waar een ongeldige inschrijving geacht moet worden niet te zijn gedaan en dus geen rol kan en mag spelen in de beoordeling, dienen de geldige inschrijvingen opnieuw te worden gerangschikt. Dat geldt, nog steeds volgens het middel, althans in een geval als het onderhavige, waarin een relatieve beoordelingssystematiek wordt gehanteerd. De essentie van een dergelijke systematiek is immers dat de positie van een inschrijver in de rangorde mede afhankelijk is van hetgeen door andere inschrijvers is aangeboden. Uitsluiting van één van de inschrijvers heeft derhalve gevolgen voor de rangorde van de resterende inschrijvers. Volgens het middel is het gelijkheidsbeginsel in casu ook in die zin aan de orde dat het met dat beginsel in strijd zou zijn als een laat (na de beoordeling aan de hand van de gunningscriteria) opgemerkte ongeldigheid tot gevolg zou hebben dat die inschrijving in de uiteindelijke beoordeling moet meewegen, terwijl een vroeg (vóór de beoordeling aan de hand van de gunningscriteria) opgemerkte ongeldigheid daarin niet meeweegt.
nietzal voordoen ten aanzien van de
per wensvast te stellen rangorden. Dat één van de inschrijvers wegvalt, kan op zichzelf niet tot een andere onderlinge rangorde van de resterende inschrijvers
per wensleiden; zo doet het wegvallen van de nummer één uit de rangorde die met betrekking tot een bepaalde wens is vastgesteld, niet eraan af dat de nummer twee beter aan die wens voldoet dan de inschrijver of de inschrijvers die in de oorspronkelijke rangorde voor die wens lager was of waren geëindigd. Het wegvallen van één van de inschrijvers kan bij herberekening van de scores wél tot andere
scoresper wens en daarmee ook tot andere
totaalscoresleiden, waarbij de door die andere totaalscores bepaalde
eindrangordevoor de resterende inschrijvers niet noodzakelijkerwijs met hun onderlinge rangorde volgens de oorspronkelijke einduitslag behoeft overeen te stemmen.
Ziegler/Veiligheidsregio Gelderland Midden. Die zaak betrof een Europese openbare aanbesteding van een raamovereenkomst voor de levering van combitankautospuiten (brandweerauto’s), waarvoor als gunningscriterium het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving gold. De Veiligheidsregio Gelderland Midden heeft Ziegler op enig moment geïnformeerd over haar voornemen de opdracht aan een andere inschrijver, te weten DRV, te gunnen. Ziegler is daartegen in rechte opgekomen, zulks naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht. Volgens de voorzieningenrechter had de Veiligheidsregio de inschrijving van DRV terzijde moeten leggen en mag zij de opdracht daarom niet aan haar gunnen. Over de verdere consequenties heeft de voorzieningenrechter als volgt overwogen [27] :
overall) als eerste geëindigde inschrijver uit de aanbestedingsprocedure is weggevallen, aan de (
overall) als tweede in de rangorde geëindigde inschrijver wordt gegund, zonder dat de resterende inschrijvers onderling opnieuw zijn beoordeeld. Het middel doet in dat verband een beroep op het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel.
Succhi di Frutta [34] :
Succhi di Fruttaoverwoog het HvJ EG [37] :
“(d)e Gemeente (…) er derhalve in de door haar beschreven beoordelingsprocedure zelf voor gekozen (heeft) geen herbeoordeling van de scores uit te voeren, maar om de oorspronkelijke rangorde in een dergelijk geval te handhaven”en door de Gemeente tegen te werpen dat,
“als de Gemeente in situaties als de onderhavige had willen kiezen voor herberekening van de scores van de overblijvende inschrijvers, zij dit in de offerte tot uitdrukking had moeten brengen.”Juist de uitvoering van een herberekening van de scores zou volgens het hof met het transparantiebeginsel in strijd zijn, omdat de Gemeente daarmee zou afwijken van de door haarzelf in de offerteaanvraag beschreven procedure. Uitgaande van de juistheid van de uitleg die het hof aan paragraaf 3.2 van de offerteaanvraag heeft gegeven, acht ik dat oordeel rechtens niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.
per wensvan de beide resterende inschrijvers leiden. Wat bij herberekening van de scores van de twee resterende inschrijvers (slechts) verandert, is dat per wens steeds één van hen een 10 en de ander een 1 zal scoren. Die score kan overeenstemmen met hun score volgens de oorspronkelijke berekening (waarin ook de weggevallen inschrijver nog was betrokken), maar is dat niet het geval, dan zal bij herberekening het verschil in score tussen de beide resterende inschrijvers (dat dan steeds kleiner is dan 9 punten) ten opzichte van de oorspronkelijke berekening steeds tot 9 punten worden
vergroot.
Storebaelt [38] , waarop in de schriftelijke toelichting van de mrs. Heering en Essed (onder 30) wordt gewezen. In dat arrest overwoog het HvJ EG:
“in aanmerking nemen”van de offerte van ESG bedoelde het HvJ EG niet meer en niet minder dan de door de Commissie gewraakte gang van zaken volgens welke Storebaelt, alhoewel de offerte van ESG niet aan een fundamenteel voorschrift van het bestek voldeed, niettemin met ESG in onderhandeling trad en met haar een overeenkomst sloot die van het bestek afweek [39] . Waar ten gunste van één inschrijver van het bestek werd afgeweken, was het evident dat jegens de overige inschrijvers in strijd met het gelijkheidsbeginsel werd gehandeld. Van een afwijking van de eisen van de offerteaanvraag ten gunste van Océ is echter geen sprake, als, na het wegvallen van Océ, de oorspronkelijke rangorde van de resterende inschrijvers wordt gehandhaafd: anders dan ESG is Océ uit de race gehaald en is zij van gunning van de opdracht uitgesloten. Het arrest
Storebaeltlaat niet zonder meer de conclusie toe dat het gelijkheidsbeginsel tevens zou vorderen dat de resterende inschrijvingen na het wegvallen van de ongeldige inschrijving opnieuw worden beoordeeld, ook niet als voor mogelijk moet worden gehouden dat een herbeoordeling in verband met de toepasselijke rekenmethode tot een andere onderlinge rangorde zou leiden.
subonderdeel 1.3vitiëren de subonderdelen 1.1 en 1.2 ook het oordeel van het hof dat, als de Gemeente had willen kiezen voor herberekening van de scores van de overblijvende inschrijvers, zij dit in de offerteaanvraag tot uitdrukking had moeten brengen. Het subonderdeel betoogt dat, nu de Gemeente op goede grond ervan kon uitgaan dat uit de algemene beginselen van aanbestedingsrecht voortvloeit dat ongeldige inschrijvingen geen rol kunnen en mogen spelen bij de rangschikking van de (geldige) inschrijvingen, de conclusie immers onontkoombaar is - zoals de voorzieningenrechter uit paragraaf 3.1, fase 3, van de offerteaanvraag volgens het subonderdeel op goede grond heeft afgeleid (rov. 4.5) - dat de scores van de overblijvende inschrijvers opnieuw moesten worden bepaald. In die situatie valt, nog steeds volgens het subonderdeel, niet in te zien waarom de Gemeente dit laatste nog eens expliciet in de offerte tot uitdrukking had moeten brengen.
“de inschrijvers die fase 1 en 2 goed doorgekomen zijn”worden beoordeeld. Waar ten onrechte ervan was uitgegaan dat Océ deze fasen goed is doorgekomen, bracht het bepaalde in paragraaf 3.1, fase 3, van de offerteaanvraag met zich dat de scores van de geldige inschrijvingen opnieuw moesten worden bepaald.
“Fase 3: beoordeling op wensen”) van de beoordelingsprocedure, waarover in paragraaf 3.1 (
“Beoordelingsprocedure”) het volgende wordt opgemerkt:
“Vervolgens worden van de inschrijvers die fase 1 en 2 goed doorgekomen zijn de antwoorden op de geformuleerde wensen beoordeeld.”Daarbij is van belang dat in fase 1 de kwalitatieve selectie plaatsvindt en in fase 2 wordt gecontroleerd of onvoorwaardelijk aan de gestelde eisen is voldaan, en dat daarbij is bepaald dat inschrijvers die niet onvoorwaardelijk aan alle eisen voldoen, afvallen. Ongeldige inschrijvingen zouden daarom, in de gedachtegang van het subonderdeel, fase 2 überhaupt niet (mogen) doorkomen. Hetgeen is beschreven in paragraaf 3.2 (
“Procedure van verificatie, afstemming en contractsluiting”), en meer in het bijzonder het daarin bedoelde verificatiegesprek met als tweede geëindigde inschrijver als de inschrijver met de hoogste totaalscore afvalt, kan daarom, nog steeds volgens het subonderdeel, alleen maar op geldige inschrijvingen betrekking hebben.
idealiterslechts geldige inschrijvingen tot in de beoordelingsprocedure doordringen. Dat dit in de praktijk anders kan zijn, blijkt echter niet alleen uit de onderhavige zaak, maar is bovendien in de offerteaanvraag voorzien. De offerteaanvraag bepaalt immers:
alsnog(cursivering toegevoegd; LK) afvallen. (…) In gevallen als deze zal in de regel besloten worden een bespreking met de als tweede geëindigde inschrijver te beleggen, dan wel de gehele procedure opnieuw te starten.”
verificatiewordt genoemd. In dat verband wijs ik nog erop dat in paragraaf 3.1 bij fase 1 uitdrukkelijk is vermeld dat
“(d)e gemeente Utrecht (…) zich het recht voor(behoudt) om bij de voorlopige gunning de officiële bewijsstukken die behoren bij de aanmeldvereisten van de partij waaraan gegund wordt op te vragen”en dat fase 2, blijkens het gestelde in diezelfde paragraaf en hoofdstuk 4, aanhef, niet méér inhoudt dan dat wordt gecontroleerd of de inschrijver op de zogenaamde conformiteitenlijst achter elke eis in de kolom
“Akkoord” “JA”heeft ingevuld. Dat een inschrijver in werkelijkheid niet aan de gestelde eisen voldoet, zal, naar mag worden aangenomen, in de regel niet reeds bij de controle in fase 2, maar eerst tijdens de procedure van verificatie blijken. Het is, mede tegen die achtergrond, geenszins onbegrijpelijk dat het hof de geciteerde passage aldus heeft opgevat dat de omschrijving
“dat in de inschrijving onjuiste informatie is verstrekt of dat op andere punten onoverkomelijke bezwaren bestaan”mede ziet op gevallen waarin de betrokken inschrijver, indien al eerder van die onjuiste informatie of van die onoverkomelijke bezwaren zou zijn gebleken, reeds in fase 1 of fase 2 had kunnen afvallen, en dat blijkens de geciteerde tekst derhalve ook in die gevallen in de regel met de als tweede geëindigde inschrijver wordt gesproken dan wel de
geheleprocedure (en niet slechts de fasen 3 tot en met 6) opnieuw wordt gestart.
subonderdelen 2.1 en 2.2klagen dat het hof heeft miskend dat paragraaf 3.2 van de offerteaanvraag dient te worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde CAO-norm, zoals hiervóór (onder 3.27-3.28) bedoeld, waarbij ook de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende interpretaties leiden een rol dient te spelen. Volgens de subonderdelen lijkt de wijze waarop het hof in rov. 3.6 paragraaf 3.2 van de offerteaanvraag heeft uitgelegd, erop te wijzen dat het hof heeft miskend dat ook op de aannemelijkheid van de aan zijn uitleg verbonden rechtsgevolgen acht moest worden geslagen.
“dat in de inschrijving onjuiste informatie is verstrekt of dat op andere punten onoverkomelijke bezwaren bestaan”. Voorts heeft het hof geoordeeld dat de Gemeente, die in paragraaf 3.2 heeft voorgeschreven dat in een dergelijk geval in de regel een bespreking met de als tweede geëindigde inschrijver zal worden belegd, zelf ervoor heeft gekozen dat in een dergelijk geval géén herbeoordeling van de scores wordt uitgevoerd en de oorspronkelijke rangorde derhalve wordt gehandhaafd. Daarbij heeft het hof van belang geacht dat paragraaf 3.2 geen onderscheid maakt, al naar gelang de als eerste geëindigde inschrijver wegens ongeldigheid van diens inschrijving dan wel wegens een andere reden is afgevallen. De woorden
“in de regel”doen naar het oordeel van het hof niet af aan de gehoudenheid van de Gemeente een verificatiebespreking met Xerox te beleggen. In dat verband heeft het hof gewezen op de ter zitting in hoger beroep door de Gemeente gegeven verklaring, volgens welke met de woorden
“in de regel”in paragraaf 3.2 wordt bedoeld dat, als zich een situatie voordoet waarop die paragraaf ziet, in beginsel een bespreking met de tweede inschrijver wordt belegd, óók in het geval dat de derde inschrijver economisch voordeliger zou zijn dan de als tweede geëindigde inschrijver, tenzij wordt besloten een geheel nieuwe aanbestedingsprocedure te starten. Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat uit de beginselen van het aanbestedingsrecht niet als regel voortvloeit dat een ongeldige inschrijving geen rol mag spelen bij de beoordeling van de resterende inschrijvingen. Bij die stand van zaken had de Gemeente, als zij in situaties als de onderhavige tot herberekening van de scores van de overblijvende inschrijvers had willen overgaan, zulks volgens het hof in de offerteaanvraag tot uitdrukking moeten brengen. Waar het transparantiebeginsel - dat ertoe strekt te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen - de uitleg van de offerteaanvraag beheerst, is bij ontbreken van een regeling voor de herberekening van de scores in de offerteaanvraag naar het oordeel van het hof voor een dergelijke herberekening geen ruimte.
subonderdelen 2.1 en 2.2missen dan ook feitelijke grondslag.
subonderdelen 2.4-2.6zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat ook de woorden
“in de regel”niet met zich brengen dat de Gemeente niet was gehouden een verificatiebespreking met Xerox te beleggen.
“in de regel”- die erop neerkomt dat die woorden geen verplichting inhouden en ruimte laten voor andere scenario’s - heeft gebaseerd op de door het hof veronderstelde (doch niet uit de aanbestedingsstukken en de toelichting daarop voor derden kenbare) bedoeling van de Gemeente. Deze argumentatie is volgens het subonderdeel innerlijk tegenstrijdig althans onverenigbaar met het uitgangspunt van het hof dat de bedoelingen van de aanbestedende dienst voor de uitleg niet van belang zijn, tenzij zij uit de aanbestedingsdocumenten en de toelichting daarop kenbaar zijn (zie p. 5 in fine van het bestreden arrest).
“in de regel”aan de orde stelde, geoordeeld dat de Gemeente blijkens de beschreven beoordelingssystematiek zelf ervoor heeft gekozen in voorkomend geval géén herbeoordeling van de scores uit te voeren, maar de oorspronkelijke rangorde te handhaven. Voor dat oordeel achtte het hof kennelijk reeds beslissend dat in de tekst van paragraaf 3.2 (
“In gevallen als deze zal in de regel besloten worden een bespreking met de als tweede geëindigde inschrijver te beleggen, dan wel de gehele procedure opnieuw te starten.”) de mogelijkheid van een herberekening van de scores (naast de mogelijkheid van een gesprek met de als tweede geëindigde inschrijver en de mogelijkheid van het opnieuw starten van de aanbestedingsprocedure)
nietis vermeld, zulks terwijl een dergelijke vermelding (naar het hof verderop in rov. 3.6 heeft overwogen) in verband met het transparatiebeginsel wel geboden zou zijn geweest.
“in de regel”had bedoeld
“dat in het geval zich een situatie waarop paragraaf 3.2 ziet voordoet, in beginsel een bespreking met de tweede inschrijver wordt belegd, ook in het geval de derde inschrijver(bij herberekening van de scores; LK)
economisch voordeliger was dan de als tweede geëindigde inschrijver, tenzij wordt besloten een gehele nieuwe aanbestedingsprocedure te starten”. Daarbij wijs ik nog erop dat het hof uitdrukkelijk heeft vermeld dat de uitleg van de Gemeente, beter dan die van Ricoh,
“aan(sluit) bij hetgeen in paragraaf 3.2 is neergelegd”. Ook daaruit blijkt dat het hof de bedoelde uitleg niet heeft omarmd omdat de Gemeente (als “authentieke interpretator” van de offerteaanvraag) haar deelde, maar omdat die uitleg, beter dan die van Ricoh, bij de
tekstvan de offerteaanvraag aansloot.
“in beginsel”een bespreking met de tweede inschrijver wordt belegd. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is volgens het subonderdeel niet inzichtelijk waarom deze interpretatie voor andere mogelijkheden of scenario’s geen ruimte zou laten.
“in beginsel”, zoals die voorkomen in de weergave van de door het hof gepercipieerde opvatting van de Gemeente, eenzelfde ruimte laten voor alternatieve scenario’s als de woorden
“in de regel”, ziet eraan voorbij dat de door het hof weergegeven opvatting van de Gemeente in elk geval in die zin expliciet duidelijkheid schept, dat ook naar de bedoeling van de Gemeente het zich voordoen van een rangordeparadox zoals hiervoor bedoeld géén aanleiding vormt om van een verificatiegesprek met de oorspronkelijk als tweede geëindigde inschrijver af te zien om vervolgens (zonder heraanbesteding) een dergelijk gesprek met de oorspronkelijk als derde geëindigde inschrijver aan te gaan.