De verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld voor verduistering van circa €5.500,- uit de kluis van een restaurant tijdens de afwezigheid van de eigenaar. De verdachte ontkende de tenlastelegging en betwistte de betrouwbaarheid van de verklaringen van twee getuigen, die het bewijs vormden voor het hof.
De verdediging stelde dat de verklaringen elkaar op essentiële punten tegenspraken en dat er onvoldoende aanvullend bewijs was, zoals camerabeelden. Het hof nam de verklaringen echter als bewijs aan zonder in het arrest specifiek te motiveren waarom het het betoog van de verdediging verwierp.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof hiermee in strijd handelde met art. 359, tweede lid, Sv, dat vereist dat het hof bij afwijking van een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt de redenen daarvan in het arrest vermeldt. Het ontbreken van deze motivering leidt tot nietigheid van het arrest.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof de motivering van zijn bewijswaardering expliciet moet geven. Er werden geen gronden gevonden om ambtshalve te vernietigen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van transparantie en motivering in bewijswaardering in cassatieprocedures, met name bij betwisting van getuigenverklaringen.