Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Beslissing
4 februari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin hij werd veroordeeld voor bedreiging met een mes en mishandeling van zijn levensgezel. De bedreiging vond plaats op 21 juni 2010 in een flatwoning te Vianen. Diverse getuigen verklaarden dat verdachte met een keukenmes dreigend optrad.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van de getuigen onderling en met eerdere verklaringen bij de politie en Rechter-Commissaris tegenstrijdig waren en daarom niet betrouwbaar. Het hof oordeelde echter dat deze tegenstrijdigheden niet van dien aard waren dat de verklaringen als onbetrouwbaar moesten worden aangemerkt en gebruikte ze voor bewezenverklaring.
De Hoge Raad toetste of het hof voldoende gemotiveerd had waarom het afweek van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging volgens art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv. De Hoge Raad concludeerde dat het hof dit op begrijpelijke wijze had gedaan en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. Ook het standpunt over toepassing van art. 9a Sr werd verworpen.
De strafoplegging bestond uit een werkstraf van 60 uur, met vervangende hechtenis, en een schadevergoeding aan de benadeelde partij. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde het arrest van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.