Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, met betrekking tot de invoer van circa 10.000 kilo hasjiesj. De veroordeling berustte mede op een verklaring van een getuige, die het hof aanvankelijk niet tot het bewijs wilde gebruiken, maar die toch prominent in de bewijsvoering werd opgenomen.
De verdediging voerde aan dat de verklaring van de getuige tegenstrijdig en ongeloofwaardig was, onder meer vanwege een onlogische leeftijdsschatting en een teruggenomen identificatie tijdens de zitting. Het hof erkende in het arrest dat het deze verklaring niet tot het bewijs zou rekenen, maar gebruikte deze toch als bewijsmiddel, wat leidde tot een innerlijke tegenstrijdigheid.
De Hoge Raad oordeelt dat deze tegenstrijdigheid een kennelijke misslag is die wezenlijke afbreuk doet aan de motivering van de bewezenverklaring. Omdat het aan de feitenrechter is om te bepalen of een nieuwe behandeling tot een andere uitkomst leidt, vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.
Het tweede middel over de strafoplegging wordt verworpen, omdat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte door zijn aandeel in de invoer ook bijdraagt aan de distributie en verkoop van verdovende middelen. De strafoplegging is voldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.