3.2 Blijkens een ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouw van verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
“Cliënt heeft niet willens en wetens zijn oom dood willen maken. Noch heeft cliënt door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn oom [betrokkene 1] fataal letsel zou oplopen. (…)
De Hoge Raad geeft (…) aan dat niet elk steken in de rug automatisch een aanmerkelijke kans op de dood oplevert, maar dat het onder meer van belang is waar en met welke kracht er is gestoken. (…)
Oom [betrokkene 1] kan niet verklaren hoe hij en cliënt stonden ten tijde van het steken.
Uit de medische verklaring in de onderhavige zaak blijkt dat snel medisch ingrijpen niet geboden was. Als gevolg van de steken met het mes zijn er geen vitale organen van oom [betrokkene 1] geraakt. De vraag of de kans aanmerkelijk was dat er vitale lichaamsdelen zouden worden geraakt, wordt in de medische verklaring niet beantwoord.
Op de foto’s op pagina 70 van het eindproces-verbaal is te zien dat er sprake is van een oppervlakkige snede van twee centimeter bovenaan het schouderblad en van twee sneden op de arm.
Cliënt had weliswaar een groot mes bij zich, maar is door zijn ervaring als slager behept hoe je iemand met een mes kunt doden en derhalve ook hoe je juist niet de fatale plekken raakt.
Dit doe je bijvoorbeeld niet door iemand met een scherpe punt een aantal keren te snijden in de arm en op het schouderblad, waardoor kleine sneden ontstaan.
De meest fatale plekken zijn de keel, het hart en de buikstreek.
Cliënt is bij deze plekken niet (…) in de buurt geweest, noch heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hier wel in de buurt zou komen met het mes.
Cliënt heeft niet per toeval slechts vrij gering letsel toegebracht.
Hij heeft niet ongecontroleerd uitgehaald. Hij heeft uiteindelijk - zonder het mes - voorkomen dat zijn oom zich kon bewapenen door zijn oom met zijn vlakke hand tegen het hoofd te slaan.
Dit gebeurde niet op een wijze waardoor blijvend hersenletsel zou ontstaan, laat staan dat zijn oom het leven zou laten.
Ook hiermee is dus niet de aanmerkelijke kans door cliënt aanvaard dat oom [betrokkene 1] zou komen te overlijden.
Te meer heeft cliënt deze kans niet aanvaard door vervolgens direct bij aankomst in de woning van [betrokkene 5] een ambulance te bellen om de nodige zorg voor zijn oom te bewerkstelligen.
De mededelingen die cliënt na zijn aanhouding volgens het proces-verbaal van bevindingen aan de politie zou hebben gedaan betreffende doodsverwensingen aan het adres van zijn oom, moeten gezien worden als uiting van jarenlang opgekropte frustraties en niet als een uiting van zijn opzet op dat moment.
Bij de eerste verhoren heeft cliënt ook steeds naar de gezondheid van zijn oom [betrokkene 1] geïnformeerd. De verhorende agenten beschrijven dat cliënt zichtbaar opgelucht was toen hij hoorde dat zijn oom niet in levensgevaar verkeerde.
Gelet op het voorgaande verzoek ik uw hof om de conclusie van de rechtbank over te nemen en cliënt wederom vrij te spreken van het primair tenlastegelegde.”