Conclusie
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging verleend tot opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van art. 2 Wet Pro Bopz. Betrokkene heeft vervolgens aangegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen deze beschikking. De griffie van de Hoge Raad heeft betrokkene geïnformeerd dat het cassatieverzoekschrift ondertekend moet zijn door een advocaat bij de Hoge Raad, conform art. 426a Rv. Dit verzuim is niet hersteld, ondanks dat betrokkene zijn verzoek handhaaft. De cassatietermijn is inmiddels ongebruikt verstreken.
De Procureur-Generaal concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. Er is nog contact geweest met de advocaat die betrokkene in eerste aanleg bijstond, maar herstel van het verzuim is niet gerealiseerd. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie die de mogelijkheid tot herstel van een dergelijk verzuim behandelt, maar in dit geval is geen herstel opgetreden.
Het arrest bevestigt het belang van de formele vereisten voor cassatieberoepen en benadrukt dat het ontbreken van een handtekening door een advocaat leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook als het verzoek wordt gehandhaafd en de termijn is verstreken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een handtekening van een advocaat op het verzoekschrift.