ECLI:NL:PHR:2014:331

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2014
Publicatiedatum
24 april 2014
Zaaknummer
14/00954
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 426a lid 1 RvArt. 2 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken handtekening advocaat

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging verleend tot opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van art. 2 Wet Pro Bopz. Betrokkene heeft vervolgens aangegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen deze beschikking. De griffie van de Hoge Raad heeft betrokkene geïnformeerd dat het cassatieverzoekschrift ondertekend moet zijn door een advocaat bij de Hoge Raad, conform art. 426a Rv. Dit verzuim is niet hersteld, ondanks dat betrokkene zijn verzoek handhaaft. De cassatietermijn is inmiddels ongebruikt verstreken.

De Procureur-Generaal concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. Er is nog contact geweest met de advocaat die betrokkene in eerste aanleg bijstond, maar herstel van het verzuim is niet gerealiseerd. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie die de mogelijkheid tot herstel van een dergelijk verzuim behandelt, maar in dit geval is geen herstel opgetreden.

Het arrest bevestigt het belang van de formele vereisten voor cassatieberoepen en benadrukt dat het ontbreken van een handtekening door een advocaat leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook als het verzoek wordt gehandhaafd en de termijn is verstreken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een handtekening van een advocaat op het verzoekschrift.

Conclusie

14/00954
Mr. F.F. Langemeijer
4 april 2014 (art. 80a RO)
Conclusie inzake het verzoek van
[betrokkene]
1. Bij beschikking van 23 december 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging verleend tot opneming van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 Wet Pro Bopz).
2. Bij schrijven van 16 januari 2014, ingekomen 20 januari 2014, heeft verzoeker te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen deze beschikking. Van de zijde van de griffie van de Hoge Raad is hem medegedeeld dat het verzoekschrift op grond van art. 426a Rv dient te zijn ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad [1] . Het verzuim is niet hersteld. Bij brief van 7 februari 2012 (lees: 2014) heeft betrokkene laten weten dat hij, desondanks, zijn verzoek handhaaft. Inmiddels is ook de cassatietermijn ongebruikt verstreken.
3. De
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.Blijkens een telefoonnotitie heeft de griffie bovendien nog contact opgenomen met de advocaat die betrokkene in eerste aanleg had bijgestaan. Zie voor de herstelmogelijkheid: HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders; HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2239, NJ 2013/27.