Conclusie
1.Voorgeschiedenis
( [1] )bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend strekkende tot het op hem van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij vonnis van 5 augustus 2013 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, omdat verzoeker tot cassatie niet aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van belastingschulden van na 2008 en voorts omdat niet van bijzondere omstandigheden is gebleken, die aanleiding zouden kunnen geven om verzoeker tot cassatie toch tot de schuldsaneringsregeling toe te laten.
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
( [2] )Gebeurt dit laatste niet om aan de belastingschuldige toe te rekenen redenen en leidt dat tot vertraging in het opleggen van een aanslag, dan levert dat een vertraging in de voldoening van verschuldigde IB op die aan de belastingplichtige is toe te rekenen. Bestaat er bij het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling een IB-schuld, waarvoor de zojuist vermelde vertraging opgeld doet, dan kan er gesproken worden van een in de zin van artikel 288 lid Pro 2, sub b Fw niet te goeder trouw onbetaald gebleven belastingschuld. Het tegendeel volgt niet uit het bepaalde in 5.4.4 uit bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Daaruit valt niet meer af te leiden dan dat schulden, “die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen van afdracht van (omzet)belasting” gelden als een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan. Dit is niet als een limitatieve opsomming op te vatten. Over de vraag of een schuldenaar ten aanzien van het onbetaald gebleven zijn van een IB-schuld wel of niet te goeder trouw in de zin van artikel 288 lid Pro 2, sub b Fw is, laat het bepaalde in 5.4.4 zich niet uit. Die vraag valt niet in het algemeen te beantwoorden, hetgeen wel het geval is bij de wel in 5.4.4 genoemde schulden.
alsnogeen verzoek op de voet van artikel 287a Fw in te dienen om een dwarsliggende crediteur te bevelen aan een minnelijke regeling mee te werken.
( [3] )Een en ander strookt met de uit de parlementaire geschiedenis blijkende voorkeur van de wetgever voor een oplossing in der minne van een schuldenlast boven een wettelijke sanering van een schuldenlast.