Conclusie
1.Feiten
advocaat- en proceskostendoor beide partijen gedragen worden voor 50%. Simpel gezegd houdt dit in dat bij ontvangst van een nieuwe factuur ieder op dat moment de helft van de kosten voor zijn rekening neemt.
niette honoreren
2.Procesverloop
3.Inleiding
4.Bespreking van de middelen
onderdelen 1a, 1b en 1d). In het bijzonder verwijst Jomo naar haar memorie van antwoord onder 2.4 en 2.5 en naar de pagina’s 24 en 27 van deze memorie. Uit de daar opgenomen stellingen zou volgen dat de afspraak aangaande de netto-schadevergoeding in twee fasen tot stand is gekomen. Op 21 augustus 2006 kwam de afspraak tot stand over de ongedefinieerde verdeling van het brutobedrag van de schadevergoeding. Op 30 november 2006 kwam de afspraak tot stand over de verdeling bij helfte van hetgeen na aftrek van de advocaat- en proceskosten overbleef van de bruto-schadevergoeding. Op laatstgenoemde datum is voorts overeengekomen om de reeds aan de Belgische rechter voorgelegde vordering bij nader inzien toch niet aan Jomo te cederen.
onderdeel 1c).
onderschrijftze het oordeel van de Rechtbank.
onderdelen 2a en 2b2).
onderdeel 2b1).
onderdeel 2b3). Het zou dan ook onbegrijpelijk zijn dat het Hof op deze grond aan genoemde producties is voorbijgegaan (
onderdeel 2b4).
onderdelen 2b5, 2b6 en 2b7), terwijl het Hof aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden of een verassingsbeslissing zou hebben gegeven (
onderdeel 2b8).
anderegebreken aan het appartement dan de gebreken die in de procedure in België aan de orde waren. Tegen die achtergrond bezien, is het zeker niet onbegrijpelijk dat het Hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het op de weg van Jomo lag de gebreken die zij aan haar lezing van de feiten, die leidden tot de gestelde overeenkomst van 30 november 2006
en die geen onderwerp van de procedure in Belgiëzijn, te specificeren.
laterde reden voor een andere overeenkomst zou zijn geweest, zoals Jomo, naar ik begrijp, volgens het onderdeel wil doen geloven. Daarom valt te billijken dat het Hof meent dat Jomo in haar stelplicht is tekort geschoten.
geen nieuwe gebrekenwaren en dat ze al eerder in de procedure in België zijn beoordeeld, dan is hoogst onaannemelijk dat deze al geruime tijd bekende gebreken voor Jomo de stoot zouden hebben gegeven voor het aangaan van de door haar gestelde overeenkomst op 30 november 2006.
onderdeel 3a). Zij klaagt (voorts?) dat het Hof kennelijk niet heeft begrepen wat uit de vastgestelde feiten volgt (
onderdeel 3b). Indien deze klacht slaagt, kan het arrest volgens Jomo ook voor het overige niet in stand blijven (
onderdeel 3c).
onderdeel 4b). Indien de klacht slaagt, zou het arrest volgens Jomo ook voor het overige niet in stand kunnen blijven (
onderdeel 4c).
eigener bewegingis overgegaan tot aftrek van een bijdrage “ereloon” die niet is becijferd op basis van wat hij noemt “een tijdrovende ‘apothekersrekening’”, voor het gedeelte van de opbrengst waarop de onderhavige procedure
nietziet.
resterendedeel van de processuele buit in België, te weten het door mr. Ilsen aan [verweerder] overgemaakte bedrag. Uit niets blijkt dat Jomo enige bijdrage heeft geleverd aan de proceskosten voor dat gedeelte.
moetenoordelen dan het heeft gedaan. Daaraan doet niet af dat wellicht denkbaar was geweest dat het Hof op basis van dit alles tot een ander oordeel was gekomen. Dat laatste is nu eenmaal inherent aan feitelijke oordelen die voor een belangrijk deel berusten op waarderingskwesties. Gezien de wat chaotische voorgeschiedenis en de door het Hof uitdrukkelijk genoemde relevante aspecten waarover geen overeenstemming was bereikt, valt ’s Hofs oordeel te billijken.
7. Daarop was de vordering evenwel niet gestoeld. Op deze brief kom ik terug bij de bespreking van het volgende onderdeel nader worden ingegaan.
moe(s)tendoor onderhandelen, kan blijven rusten nu de vordering daarop niet zag en het Hof zich daarover dus niet behoefde uit te laten; dat heeft het Hof m.i. ook niet gedaan.
7in stelling. Naast hetgeen onder 4.24 al werd opgemerkt, is de daarop gebaseerde klacht tot mislukken gedoemd omdat Jomo in hoger beroep zelf heeft gesteld met deze niet aan haar gerichte brief niet bekend te zijn, terwijl zij de inhoud daarvan bij gebrek aan wetenschap betwist. [16]
onderdeel 7a).