Conclusie
Onderdeel 1.1klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel treedt door de feiten zoals opgesomd door de voorzieningenrechter onder 1.1 - 1.16, niet op te nemen in het bestreden arrest en door niet van die feiten uit te gaan. Deze klacht mist feitelijke grondslag: blijkens rov. 2 is het hof van die feiten uitgegaan. Hetgeen het hof onder 2.1 - 2.9 daarop doet volgen is slechts een samenvatting van die feiten.
Onderdeel 1.2klaagt dat de feitelijke oordelen in rov. 5 onbegrijpelijk zijn, omdat het hof nalaat in zijn oordeel te betrekken:
onderdeel 2falen om dezelfde redenen als in de vorige alinea vermeld. Het hof heeft niet overwogen dat de gevorderde voorziening uitsluitend kan worden toegewezen bij een patstelling. In de redenering van het hof was het te vroeg voor een voorlopige voorziening als gevorderd (“prematuur”). Dát oordeel is gemotiveerd met het argument dat er nog geen patstelling was en daarnaast met het argument dat toewijzing een te forse inbreuk zou zijn op het werk van prof. Luyten en de precaire verhoudingen binnen de vakgroep. Aan het argument van de toezegging van Bronovo over afronding van de reorganisatie vóór 1 juli 2009 heeft het hof in rov. 5 aandacht besteed.
Onderdeel 3klaagt dat rov. 7 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de mogelijkheid om nieuwe feiten in het geding te betrekken. Hieromtrent is het uitgangspunt dat partijen in hoger beroep nieuwe feiten mogen aanvoeren, zij het dat de eisen van een goede procesorde in beginsel meebrengen dat zij daarvoor maar éénmaal gelegenheid krijgen. De appellant moet de nieuwe feiten waarop hij zich in appel wil beroepen aanvoeren bij memorie van grieven [2] . In dit geval faalt de klacht omdat het hof rekening heeft gehouden met nieuwe feiten die de Stichting in haar memorie van grieven had aangevoerd [3] . Voor het overige is het oordeel niet onbegrijpelijk. Het hof beoordeelde niet of er oorzakelijk verband is tussen de in eerste aanleg getroffen maatregel en de geconstateerde verslechtering van de verhouding tussen partijen. Het hof beoordeelde, overeenkomstig de wet, opnieuw de noodzaak van een voorlopige voorziening en heeft die noodzaak niet aanwezig geacht.
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO.