AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken volmacht niet gerechtvaardigd
In deze zaak is de verdachte door het hof niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter wegens gebreken in de volmacht die aan een griffiemedewerker was verleend om namens hem hoger beroep in te stellen. De volmacht ontbrak volgens het hof, omdat de schriftelijke volmacht niet voldeed aan de eisen van artikel 450 WetboekPro van Strafvordering, en de faxbrief van de advocaat aan de strafgriffie geen bijzondere volmacht bevatte.
De advocaat-generaal heeft betoogd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de volmacht ontbrak, mede omdat ter terechtzitting een gemachtigde raadsman van de verdachte aanwezig was die verklaarde uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De Hoge Raad bevestigt de jurisprudentie dat verzuimen bij de instelling van hoger beroep voor gedekt kunnen worden gehouden indien de verdachte of een door hem gemachtigde raadsman ter terechtzitting verschijnt en verklaart dat de volmacht tot hoger beroep de wens van de verdachte weerspiegelt.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het niet heeft vastgesteld aan wie de faxbrief was gericht en omdat de verklaring van de raadsman ter terechtzitting niet in overeenstemming is met het ontbreken van een volmacht. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het zorgvuldig toetsen van de ontvankelijkheid van hoger beroep en de betekenis van de aanwezigheid van een gemachtigde raadsman ter terechtzitting bij de beoordeling van de volmacht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Conclusie
Nr. 12/04703
Zitting: 11 maart 2014
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 27 september 2012 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaar in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank waarbij hij wegens meerdere diefstallen in vereniging, was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 1.649,30 in combinatie met de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36f Sr te vervangen door 26 dagen hechtenis.
Mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.
Het middelklaagt dat het hof de verdachte ten onrecht in zijn beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens – kort gezegd – gebreken in de volmacht als bedoeld in art. 450 SvPro.
Het arrest van het hof houdt hieromtrent het volgende in:
‘De akte rechtsmiddel d.d. 9 december 2011 vermeldt dat de ambtenaar van de griffie van de rechtbank 's-Gravenhage middels een bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 30 november 2011.
De gestelde schriftelijke bijzondere volmacht is ontleend aan de faxbrief van de raadsvrouw van de verdachte d.d. 8 december 2011, waarin zij - slechts - mededeelt door de verdachte gemachtigd te zijn hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 30 november 2011. Voorts verzoekt zij de strafgriffie van de rechtbank 's-Gravenhage om een afschrift van de akte rechtsmiddel. Aan de griffiemedewerker is geen bijzondere volmacht verleend hoger beroep in te stellen, evenmin behelst de faxbrief de in lid 3 van artikel 450 vanPro het Wetboek van Strafvordering genoemde instemming of de vermelding van een door de verdachte opgegeven adres, waarnaar een afschrift van de dagvaarding kan worden gezonden.
Hiermee staat vast dat geen sprake is van een volmacht die aan de wettelijke eisen, gesteld in artikel 450 vanPro het Wetboek van Strafvordering, beantwoordt.
Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden, d.d. 22 december 2009, LJN BJ7810, en 20maart 2012, LJN BV6999, - verkort en zakelijk weergegeven - moet uit het bepaalde in artikel 450, derde lid , van het Wetboek van Strafvordering worden afgeleid dat de wetgever niet heeft willen weten van een volmacht die niet aan de wettelijke eisen beantwoordt.
Weliswaar kan blijkens deze jurisprudentie een verzuim in de volmacht voor gedekt worden gehouden indien ter terechtzitting door de verdachte of een gemachtigd raadsman wordt verklaard dat aan de verlening van de onvolkomen volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om op rechtsgeldige wijze hoger beroep te doen instellen , doch in casu is geen sprake van een onvolkomen volmacht aan de griffiemedewerker, maar ontbreekt die volmacht, zoals hierboven uiteengezet, geheel. Aldus kan dit verzuim niet meer worden hersteld. Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.’
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 27 september 2012 houdt in verband met de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep, het volgende in:
‘Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M. Schwab, advocaat te Amsterdam, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor. Onmiddellijk na de voordracht van de zaak draagt de advocaat-generaal de schriftelijke vordering voor en vordert dat de verdachte niet ontvankelijk in het hoger beroep zal worden verklaard en legt zijn schriftelijke vordering aan het gerechtshof over.
De voorzitter stelt vast dat de raadsvrouw bij faxbericht van 8 december 2011, gericht aan de strafgriffie van de rechtbank te 's-Gravenhage heeft medegedeeld dat zij door cliënt ([verdachte]) gemachtigd is hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank van 30 november 2011.
Het bericht bevat geen volmacht aan een griffiemedewerker hoger beroep in te stellen.
De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van de vordering van de advocaat-generaal aan het oordeel van het hof.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof - na kort onderling beraad – terstond uitspraak.’
6. De ter terechtzitting van het hof overgelegde vordering van de advocaat-generaal houdt het volgende in:
‘Gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep; vordert dat het gerechtshof de verdachte niet ontvankelijk verklaart in het appel’.
7. In de toelichting op het middel wordt in het bijzonder een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2012. [1] In dit arrest heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 22 december 2009 [2] – overwogen dat:
‘de eisen waaraan de schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte hoger beroep in te stellen, worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Met het oog daarop is voorzien in de uitreiking van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep aan zijn gemachtigde (art. 408a in verbinding met art. 450 SvPro).
2.6. Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, is in zaken waarin ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op de voet van art. 279 SvPro gemachtigde raadsman is verschenen, daarom in de regel het door een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde beroep niet-ontvankelijk indien die volmacht niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet.
2.7. Gelet op diezelfde ratio bestaat evenwel onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens een verzuim als voormeld, indien ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 SvPro gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. Weliswaar is in genoemd arrest geoordeeld dat de wetgever niet heeft willen weten van een volmacht die aan voormelde eisen niet beantwoordt en dat hij ook niet heeft willen weten van de mogelijkheid tot herstel van verzuimen na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep, maar dat staat niet eraan in de weg dat in een dergelijk geval een verzuim als voormeld voor gedekt wordt gehouden.’
8. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad valt op te maken dat verzuimen bij de instelling van hoger beroep voor gedekt kunnen worden gehouden indien de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 SvPro gemachtigde raadsman is verschenen. [3] Tot nu had die rechtspraak betrekking op het verzuim van de volgende in art. 450 SvPro genoemde voorschriften: (i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv); [4] (ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv); (iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv). [5]
9. In de onderhavige zaak zou echter sprake zijn van een dusdanig verzuim dat geen sprake meer zou kunnen zijn van een volmacht. Het hof overweegt immers dat in casu geen sprake is van ‘een onvolkomen volmacht aan de griffiemedewerker, maar ontbreekt die volmacht’.
10. Bij de stukken die op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, ontbreekt de faxbrief van de raadsvrouwe van 8 december 2011 zodat in cassatie niet valt na te gaan wat daarin precies is vermeld. Op basis van het arrest van het hof moet worden aangenomen dat daarin in ieder geval is vermeld dat zij door de verdachte is gemachtigd en dat zij de strafgriffie daarin verzoekt om een afschrift van de akte rechtsmiddel. Uit het verzoek aan de strafgriffie valt op te maken dat de faxbrief aan de strafgriffie is gericht.
11. Hetgeen het hof heeft vastgesteld inzake de inhoud van de faxbrief kan moeilijk anders worden verstaan dan als een volmacht aan de strafgriffie c.q. een medewerker van de strafgriffie om hoger beroep in te stellen. In de toelichting op het middel wordt terecht aangevoerd dat er geen twijfel over kan bestaan dat de raadsvrouw met de faxbrief beoogde rechtsgeldig hoger beroep in te stellen tegen het in die faxbrief genoemde vonnis.
12. De medewerker van de strafgriffie heeft de faxbrief ook verstaan als een volmacht aan de strafgriffie om hoger beroep in te stellen. Deze heeft immers een akte rechtsmiddel opgesteld. De akte houdt onder meer het volgende in:
‘Op 09 december 2011 kwam ter griffie van deze rechtbank […], ambtenaar ter voormelde griffie, blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigd door na te noemen persoon tot het aanwenden van na te melden rechtsmiddel, die verklaarde namens [verdachte] hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de politierechter in deze rechtbank op 30 november 2011 gewezen.’
13. Bovendien is het de vraag of thans nog wel de eis moet worden gesteld dat pas van een volmacht sprake is indien met zoveel woorden tot uitdrukking wordt gebracht dat bijzondere volmacht wordt gegeven aan een bepaald persoon om namens de volmachtgever hoger beroep in te stellen. [6] Elzinga & De Hullu schrijven in dit verband dat veelal ‘reeds uit de adressering van het stuk – of uit de plaats waar het is afgegeven – [blijkt] dat de ontvanger het als volmacht dient aan te merken.’ [7]
14. Gelet op de inhoud van de faxbrief, zoals daarvan uit het arrest blijkt, en de akte rechtsmiddel, is het oordeel van het hof dat een volmacht ontbreekt, onbegrijpelijk mede gelet op het feit dat het hof niet heeft vastgesteld aan wie de faxbrief was gericht. Naar mijn mening kunnen de gronden waarop de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep steunt, die beslissing niet dragen.
15. Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting van het hof heeft verklaard, niet aldus kan worden verstaan dat zij met de faxbrief geen hoger beroep heeft willen instellen. Zij refereert zich aan het oordeel van de advocaat-generaal die echter blijkens de ter terechtzitting overgelegde vordering en het van de terechtzitting opgemaakte proces-verbaal niet aangeeft waarom de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep moet worden verklaard.
16. Het middel is terecht voorgesteld.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak zodat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:BV6999, NJ 2012/426 m.nt. F.W. Bleichrodt.
2.HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:BJ7810, NJ 2010/10 m.nt. M.J. Borgers.
3.De Hoge raad verwijst naar een op de voet van art. 279 SvPro gemachtigde raadsman terwijl in art. 279 SvPro het begrip advocaat wordt gebruikt. Nu hier geen sprake is van vertegenwoordiging heeft het begrip raadsman de voorkeur: T. Spronken, Verdediging. Een onderzoek naar de normering van het optreden van advocaten in strafzaken, diss. Maastricht, Deventer: Gouda Quint 2001, p. 204-205.