Conclusie
Namens(cursivering, EH) [betrokkene] wordt het navolgende naar voren gebracht ten aanzien van de ontnemingsvordering ex art. 36e Sr” etc. Daarop volgde de conclusie van repliek van 25 juli 2008 van de officier van justitie. Op 29 oktober 2009 werd het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg hervat. Dat blijkt uit het ondertekende proces-verbaal van deze terechtzitting. Ik schrijf dit zo expliciet omdat onder de stukken van het geding zich ook een niet ondertekend proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2009 bevindt. Daarin valt te lezen dat de opvolgende raadsman gemachtigd is de betrokkene te vertegenwoordigen. In het ondertekend proces-verbaal van deze terechtzitting ontbreekt deze overweging echter. [1] Duidelijk is wel dat op de terechtzitting van 29 oktober 2009 de betrokkene niet doch zijn raadsman wel is verschenen en dat de raadsman toen zijn pleitnotities heeft overgelegd. Verder blijkt uit het ondertekende proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2009 dat de rechtbank met instemming van de officier van justitie en de raadsman het onderzoek ter terechtzitting heeft hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing d.d. 28 maart 2007 bevond en dat de voorzitter heeft medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden op 10 december 2009 om 13.00 uur. Op 10 december 2009 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en aan de betrokkene - kort gezegd – het ontnemingsbedrag van € 125.369,- opgelegd. Tegen deze uitspraak is namens de betrokkene op 23 maart 2011 hoger beroep ingesteld.
De veroordeeldelegt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
namenszijn cliënt een conclusie van antwoord ingediend en heeft hij op de terechtzitting (ii) niet verklaard dat hij niet uitdrukkelijk door de betrokkene gemachtigd was, (iii) ingestemd met hervatting van het onderzoek ter terechtzitting van 29 oktober 2009 in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond en (iv) het woord ter verdediging gevoerd en daarbij een pleitnota overgelegd. Daarnaast heeft het Hof overwogen dat de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd heeft geantwoord dat zijn raadsman in eerste aanleg hem heeft verteld wanneer de zitting in eerste aanleg plaatsvond en dat hij zijn raadsman toestemming heeft gegeven om namens hem de verdediging te voeren. Uit de voormelde omstandigheden en die verklaring van de betrokkene, alles in onderlinge samenhang bezien, heeft het Hof kunnen afleiden dat op de terechtzitting van 29 oktober 2009 de raadsman (ook in materieel opzicht) als gemachtigd raadsman kan worden beschouwd.