Conclusie
1.Feiten en procesverloop
tussenvonnis van 20 augustus 2003van de rechtbank Arnhem in de eerdere procedure luidt o.m.:
3. Het geschil in conventie en in reconventie
ten titel van voorschot op de door [betrokkene 1] in te brengen en met [eiser] te delen vergoeding voor het woongenot een bedrag van € 40.000 (…), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden;
eindvonnis van 9 maart 2005in de eerdere procedure heeft de rechtbank onder meer overwogen en beslist (met door mij toegevoegde onderstreping):
Conclusie is dat [betrokkene 1] wegens genoten woongenot € 96.446,96 in de boedel moet inbrengen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding.
tussenarrest van 13 maart 2007in de eerdere procedure heeft het hof onder meer overwogen:
Grief Vvan
[betrokkene 1]richt zich tegen de vaststelling in conventie onder 4 van het dictum van het bestreden vonnis van 9 maart 2005 van de waarde, waartoe [eiser] uit hoofde van de vaststelling onder 3 van dat dictum voor de helft gerechtigd is (…)
eindarrest van 12 mei 2009in de eerdere procedure heeft het hof onder meer overwogen:
1. Het verloop van het geding
beslissing van 22 september 2009op het verzoek van [eiser] ex art. 31 en Pro 32 Rv tot verbetering respectievelijk aanvulling van het eindarrest van 12 mei 2009 heeft het hof het volgende overwogen en beslist:
reconventiegevorderd – onder meer en voor zover in cassatie nog van belang – :
b)verweerd met (i) een beroep op het gezag van gewijsde van het arrest van het hof Arnhem van 12 mei 2009, waarin die vordering zou zijn
afgewezen, alsmede (ii) een inhoudelijk verweer, inhoudende (onder meer) het
ontbreken van verzuim. [18]
tussenvonnis van 21 december 2011heeft de rechtbank verweer (i), het beroep op gezag van gewijsde, verworpen. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat, hoewel [verweerders] hebben gesteld dat de rentevorderingen destijds in eerste aanleg zijn ingesteld (bij één van de vermeerderingen van eis zijdens [eiser]), uit de tekst van het tussen- en eindvonnis van 20 augustus 2003 respectievelijk 9 maart 2005 hierover niet voldoende valt af te leiden, en overige stukken niet in het geding zijn gebracht (rov. 4.18). Naar aanleiding van het beroep van [verweerders] op de beslissing van het hof van 22 september 2009 ex art. 31/32 Rv, waarmee zou zijn bevestigd dat de rentevordering is afgewezen [20] , heeft de rechtbank voorts overwogen dat, anders dan het hof in die beslissing heeft overwogen, uit rov. 2.4 van het eindarrest van het hof van 12 mei 2009 [21] niet blijkt dat de (daarin beoordeelde [22] ) voorwaardelijke rentevordering is afgewezen, maar dat daarover geen inhoudelijke beslissing is genomen, zodat een beslissing betreffende de rechtsbetrekking in geschil in de zin van art. 236 lid 1 Rv Pro derhalve ontbreekt (rov. 4.19).
b)aldus
gewijzigddat deze is komen te luiden:
subsidiairvanaf 2 augustus 2002, althans vanaf een datum als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen.” [24]
eindvonnis van 25 april 2012heeft de rechtbank – naar aanleiding van het pleidooi van [eiser] om terug te komen van haar uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing omtrent inhoudelijk verweer (ii) – overwogen dat zij in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd geen aanleiding ziet om gebruik te maken van haar bevoegdheid om in bepaalde gevallen van bindende eindbeslissingen terug te komen (rov. 2.13). Voorts heeft de rechtbank overwogen:
b)dient te worden afgewezen (rov. 2.18).
grief IXwordt opgekomen tegen de honorering van het inhoudelijk verweer in rov. 4.23 van het tussenvonnis (afwezigheid van verzuim). Daartoe wordt een beroep gedaan op art. 3:172 BW Pro.
Grief Xis gericht tegen het oordeel in rov. 2.14 van het eindvonnis dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen aan toewijzing van de subsidiaire vordering in de weg staat. [eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat dit oordeel in strijd is met rov. 4.18 en 4.19 van het tussenvonnis, waarin (terecht) is geoordeeld dat ter zake een rentevergoeding geen beslissing is gegeven.
de vergoeding voor woongenotzoals vastgesteld bij arrest van 12 mei 2009 ad € 123.691,55 [28] en dat uit het onder conservatoir beslag liggende, onder de boedelnotaris berustende bedrag van de overbedeling € 61.845,78 aan [eiser] behoort te worden uitgekeerd;
de renteover de vergoeding voor woongenot zoals vastgesteld bij arrest van 12 mei 2009 belopende per 20 juni 2011 een bedrag van € 125.375,24, te vermeerderen met de dagrente tot aan de dag van betaling; subsidiair de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2002; meer subsidiair een door het hof ten titel van genoten vruchten vast te stellen bedrag.
eindarrest van 5 maart 2013heeft het hof, gelet op het bezwaar van [verweerders], de in de akte van 6 november 2012 opgenomen vermeerdering van eis buiten beschouwing gelaten (rov. 3.4).
grief Xverworpen. Daartoe heeft het hof vastgesteld dat de rechtbank in de eerdere procedure, ondanks hetgeen zij daaromtrent in rov. 5.2 van haar eindvonnis heeft overwogen, niet beslist heeft dat het bedrag van de door haar bepaalde, in de gemeenschap te brengen woonvergoeding moet worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding in die procedure (2 augustus 2002) en wel in haar beslissing het meer of anders gevorderde heeft afgewezen. Nu vaststaat dat [eiser] tegen deze beslissing niet, althans niet met succes een rechtsmiddel heeft aangewend, is het hof met de rechtbank van oordeel dat [eiser] gebonden is aan de afwijzing van deze vordering door de rechtbank in haar vonnis van 9 maart 2005 en deze vordering in deze procedure niet opnieuw aan de orde kan stellen (rov. 3.18).
grief IXverworpen. Het hof gaat voorbij aan het beroep van [eiser] op het bepaalde in art. 3:172 BW Pro, nu de woonvergoeding en de wettelijke rente daarover, anders dan huurinkomsten, geen vruchten of voordelen zijn die de woning oplevert, maar een bedrag dat de ene deelgenoot ([betrokkene 1]) aan de andere deelgenoot ([eiser]) verschuldigd is vanwege het uitsluitend gebruik van een deel van de woning, op het genot waarvan beide deelgenoten aanspraak hebben (rov. 3.19).
b)– zoals gewijzigd bij antwoordakte na interlocutoir [29] – bekrachtigd.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
Onderdeel 2komt op tegen het oordeel (in rov. 3.19) dat de vordering betreffende de wettelijke rente over de woonvergoeding niet kan worden gebaseerd op het bepaalde in art. 3:172 BW Pro.
ofwelheeft miskend dat de woonvergoeding strookt met de in art. 3:172 BW Pro neergelegde regel en als zodanig tot de gemeenschap behoort en dat in het verlengde daarvan ook een rentevergoeding ter zake tot de gemeenschap behoort (
subonderdeel 2.2, gelezen i.v.m. s.t. onder 4.3 en 4.4),
ofwelzijn oordeel dat geen sprake is van zo’n met art. 3:172 BW Pro strokende vordering onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd in het licht van de stellingen van [eiser] (verwezen wordt naar MvG onder 33-34 [31] ) (
subonderdeel 2.3).
rechtstreekseen
zelfstandigegrondslag vindt in art. 3:172 BW Pro. In rov. 4.23 van het tussenvonnis van 21 december 2011 in deze procedure is immers geoordeeld dat [verweerders] niet in verzuim zijn, tegen welke overweging in hoger beroep niet is opgekomen met de stelling dat van verzuim wél sprake zou zijn. Het hof heeft althans grief IX kennelijk niet in die zin opgevat, tegen welke uitleg in cassatie niet is opgekomen. Voormelde uitleg sluit ook aan bij de stellingen van [eiser] in eerste aanleg, waar betoogd is dat het beginsel van art. 3:172 BW Pro meebrengt dat de deelgenoot die de beschikking had over activa, aan de gemeenschap rente vergoedt om te vermijden dat de andere deelgenoot in een nadeliger positie komt te verkeren. [33]
goed, bijvoorbeeld een echtelijke woning, valt die vergoeding in de gemeenschap. De stelling dat de gemeenschap is ontbonden zodat de gebruiksvergoeding daartoe niet
kanbehoren, werd in HR 20 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0456,
NJ1992/624 m.nt. EAAL verworpen onder verwijzing naar art. 3:172 BW Pro. Doordat de vergoeding in de gemeenschap valt, ontvangt ieder der deelgenoten daarvan de helft. Er kan echter ook worden afgesproken dat de gebruiker aan de andere deelgenoot een vergoeding zal betalen voor het gebruik van diens
aandeel. In dat geval gaat de vergoeding buiten de gemeenschap om. [40]
aan de gemeenschap. Het cassatiemiddel bestreed het oordeel van het hof – in het kader van een beroep op verrekening – dat de vordering ter zake van de gebruiksvergoeding in de gemeenschap viel, zulks op de grond dat die vordering niet in de gemeenschap
konvallen omdat zij ontstaan was nadat de gemeenschap ontbonden was. Uw Raad verwerpt het middel op grond dat de door de rechtbank bepaalde vergoeding
aan de gemeenschap“strookt met” de in art. 3:172 neergelegde Pro regel dat vruchten en andere voordelen van een tot een nog niet verdeelde gemeenschap behorend goed eveneens tot de gemeenschap behoren, ook indien het gaat om een ontbonden huwelijksgemeenschap als de onderhavige. Het ‘stroken met’ ziet dus kennelijk op de vraag of een vermogensbestanddeel (in casu: een vordering wegens gebruiksvergoeding), evenals dat het geval is met vruchten en andere voordelen, in een ontbonden gemeenschap kan vallen. Uit het ‘stroken met’ valt niet af te leiden dat in de visie van Uw Raad een woonvergoeding – en de daarover eventueel verschuldigde wettelijk rente – moet worden gekwalificeerd als een vrucht of een ander voordeel in de zin van art. 3:172 BW Pro.
verschuldigdheidvan wettelijke rente aan de gemeenschap. Wettelijke rente is immers een gefixeerde schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, welke vergoeding moet worden berekend over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening in verzuim is geweest. [44] Ik meen dat een dergelijke potentiële schadevergoeding niet de gedaante kan aannemen van een voordeel van de woning in de zin van art. 3:172 BW Pro met als gevolg dat zij uit dien hoofde van rechtswege aan de gemeenschap verschuldigd wordt. De vereisten van art. 6:119 BW Pro, met name het verzuimvereiste, blijven onverkort van toepassing. [45] Art. 3:172 BW Pro als zodanig biedt geen grondslag voor de verschuldigdheid van wettelijke rente. Of een vordering ter zake van wettelijke rente, indien deze rente – wegens verzuim van de deelgenoot – daadwerkelijk verschuldigd is geworden, als een voordeel in de zin van de bepaling zou moeten worden aangemerkt en uit dien hoofde in de gemeenschap valt, is een andere kwestie.
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding” (i.e. 2 augustus 2002). Betoogd wordt dat die beslissing gezag van gewijsde heeft, hetgeen meebrengt dat voor de afwijzing van (naar ik begrijp:) het subsidiair gevorderde – te verklaren voor recht dat [verweerders] in de nalatenschap dienen in te brengen de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2002 – in de onderhavige procedure geen ruimte is.
met inachtneming van wat is overwogen in dit vonnis”. [50] De vraag of de zojuist geciteerde overweging dat [betrokkene 1] de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2002 dient in te brengen (rov. 5.2) daarmee een beslissing is in de zin van art. 236 Rv Pro, kan echter in het midden blijven.
vordering ter zake van rentevergoeding heeft ingesteld. Volgens de klacht is dit oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van de gedingstukken. Gewezen wordt op (i) de weergave van de vorderingen in rov. 3.1 van het tussenvonnis van 20 augustus 2003 in de eerdere procedure [56] , (ii) de stelling van [eiser] in eerste aanleg dat hij in de eerdere procedure geen rentevordering heeft ingesteld (p-v van comparitie d.d. 3 november 2011, p. 6 [57] ), (iii) het oordeel van de rechtbank in rov. 4.18 van haar tussenvonnis dat omtrent een vordering uit de vonnissen in de eerdere procedure niet voldoende valt af te leiden [58] , en (iv) de stelling van [eiser] in appel dat rov. 2.14 van het eindvonnis in strijd is met genoemd oordeel van de rechtbank in rov. 4.18 van haar tussenvonnis (memorie van grieven, grief X, onder 37 [59] ).
aanspraakheeft gemaakt op ook vergoeding van wettelijke rente over de woonvergoeding, dat [betrokkene 1] daarop bij conclusie van 1 september 2004 is ingegaan en dat de rechtbank in rov. 5.2 van haar eindvonnis van 9 maart 2005 heeft overwogen dat [betrokkene 1] de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2002 moet inbrengen. Hij heeft daarbij geen melding gemaakt van het in de conclusie van 21 juli 2004 eveneens gevorderde voorschot. Lezing van de conclusie van 21 juli 2004 leert dat daarin, in antwoord op de uitnodiging van de rechtbank om uitsluitsel te geven omtrent de hoogte van de gebruiksvergoeding [60] , uitdrukkelijk aanspraak wordt gemaakt op wettelijke rente over de woonvergoeding (conclusie, onder 6 en 8 [61] ). Deze passage staat los van die omtrent het eveneens in die conclusie gevorderde voorschot (conclusie, onder 9 [62] ).
nadatde rechtbank haar tussenvonnis had gewezen en in tegenspraak zijn met de oorspronkelijke stelling van [eiser] waarop rov. 4.18 van dat tussenvonnis mede was gebaseerd, heeft het hof het beroep van [eiser] op rov. 4.18 en 4.19 van het tussenvonnis buiten beschouwing kunnen laten.
afgewezen.
met inachtneming van hetgeen in het vonnis is overwogen(dictum onder 6).