Conclusie
1.Feiten en procesverloop
dat het oordeel [van het hof Amsterdam] dat over 2004 nog € 49.000,- ter zake van (aanvullende) bonus toewijsbaar is, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is”, is gebaseerd op het onweersproken zijn van genoemde stellingen.
bestendige praktijk” was dat de bonuspool uit 30% van de winst van GEDD bestond. Het hof verwerpt deze stelling van [eiser]. Een bestendige praktijk als door [eiser] verdedigd is, zo al feitelijk juist, in het licht van wat in r.o. 22 is geoordeeld, onvoldoende om het vertrouwen te rechtvaardigen dat er recht bestond op een bonuspool van - steeds - 30% van de winst van GEDD. Voor het overige is door [eiser] niet onderbouwd welke handelwijze van de Bank, in aanmerking nemende de in ieder geval tot 2004 bestaande eenzijdige vaststelling door de Bank van de omvang van de bonuspool aan het einde van het jaar, bedoeld vertrouwen bij hem heeft gewekt.
een afspraak op schrift [is] gesteld over de formule hoe de bonuspool voor de afdeling GEDD op jaarbasis wordt vastgesteld te weten 30% van de winst voor belasting die de afdeling GEDD had gehaald”, en [getuige 2] verklaart: “
De bonuspool bestaat uit 30% van de nettowinst voor belastingen van GEDD”. Gesteld noch gebleken is dat bedoelde, naar het hof begrijpt: binnen de Bank bestaande “afspraak” met [eiser] is gecommuniceerd. Daar komt - als gezegd – bij dat heeft te gelden dat de omvang van de bonuspool elk jaar eenzijdig door de Bank werd vastgesteld.
I feel I can no longer manage the swap book”. Dat [eiser] met “
I feel” niet meer tot uitdrukking heeft willen brengen dan dat hij het gevoel had dat hij zijn werk niet meer goed zou kunnen doen indien de eisen niet zouden worden ingewilligd, acht het hof ongeloofwaardig. Het is niet goed voor te stellen dat [eiser], die hoog is opgeleid, dagelijks in een internationale, engelstalige werkomgeving in de financiële dienstverlening fungeert, en die zich bedient van duidelijk geformuleerd Engels, dacht met een typisch understatement als “
I feel” een minder harde boodschap over te brengen dan met het weglaten van “
feel”.
silly claim” van [betrokkene 2] dat deze het GSB “
directly” bestuurde. Volgens [eiser] claimde [betrokkene 2] daarmee ten onrechte een deel van de over GSB te verdienen bonus. Het hof verwerpt dit standpunt. Als gezegd geschiedde het dagelijkse, feitelijke beheer van het GSB weliswaar door [eiser], maar onder verantwoordelijkheid van [betrokkene 2]. Dat [betrokkene 2] gelet op die verantwoordelijkheid aanspraak zou kunnen hebben op een deel van de GSB-bonus is in dat licht alleszins denkbaar. Dat [betrokkene 2] die bonus op oneigenlijke gronden claimde, bijvoorbeeld door de Bank valselijk voor te houden dat hij mede bij het feitelijke beheer van het GSB betrokken was, of in afwijking van gemaakte afspraken, is niet gebleken. Door desondanks te spreken van “
silly claims” heeft [eiser] zich naar het oordeel van het hof ten opzichte van zijn leidinggevende [betrokkene 2] op hoogst onzorgvuldige wijze uitgelaten.
Let's focus on making some profits and stop dealing with such minute issues please.”
2.Inleiding
3.Bespreking van het cassatiemiddel
hooguitsprake was van niet bindende en voor derden niet kenbare intenties van de bank. In die lezing is alleszins begrijpelijk dat en waarom het Hof het niet “communiceren” of schriftelijk vastleggen van op een bepaald percentage gerichte afspraken met één of meer werknemers van belang acht. Afhankelijk van de inhoud van een “vastlegging” of “communicatie” zou de bank haar vrijheid uit handen (hebben) kunnen geven.
waaromsprake zou zijn van strijd met deze bepalingen. Het valt zonder nadere toelichting ook niet in te zien;
nietgeboden was (rov. 5.6). Ik formuleer met opzet voorzichtig (“besloten ligt”). Uw Raad heeft dat uiteraard niet met zoveel woorden gezegd, want het gaat uiteindelijk mede om een feitelijke waarderingskwestie.
hijniet langer het GS-boek kon doen indien niet aan de door hem gestelde voorwaarden zou worden voldaan; zie rov. 37. Het Hof oordeelt in rov. 39 dat van [eiser], gelet op zijn door het Hof geschetste positie, mocht worden verwacht op voorhand te begrijpen dat zijn e-mail als een ultimatum en een motie van wantrouwen zou kunnen worden gezien, ernstig zou kunnen worden opgevat en tot consequentie zou kunnen hebben dat zijn betrokkenheid bij het GSB zou eindigen. Het Hof acht daarbij van belang dat [eiser] in die mail
zelf(cursivering van mij) aangeeft dat hij vanwege het ontbreken van het noodzakelijk vertrouwen het GSB niet langer kan beheren indien zijn eisen niet zouden worden ingewilligd. Bezien tegen de achtergrond van deze stellige en niet voor redelijk misverstand vatbare opstelling legt de omstandigheid dat de direct leidinggevende van [eiser] met de mail zou hebben ingestemd, onvoldoende gewicht in de schaal.
nahet versturen van de mail in zijn oordeel heeft betrokken door in rov. 41 te overwegen dat het op de weg van [eiser] had gelegen om vóór de aangekondigde bespreking van 24 september 2002 minst genomen “gas terug te nemen” ten aanzien van – in ieder geval – de door hem gestelde eisen, indien hij de situatie ten goede had willen doen keren.
onderdeel 2.6valt goeddeels in herhalingen en behoeft in zoverre geen afzonderlijke bespreking.
onderdeel 2.8ook bepaald niet af dat, zoals het Hof in de laatste volzin van rov. 42 overweegt, inmiddels een trader in Londen met het beheer van het GSB was belast, met daarbij de opdracht dat veel behoudender te doen dan daarvoor door [eiser] was gebeurd, terwijl dat beheer vanaf dat moment slechts aanspraak gaf op een geringe beheervergoeding in plaats van een bonus. Zonder nadere redengeving, die evenwel ontbreekt, is immers niet te begrijpen waarom het Hof deze omstandigheid voor zijn oordeelsvorming van belang heeft geacht. Voor zover het Hof bij zijn oordeelsvorming (impliciet) heeft laten meewegen dat de bank als gevolg van deze omstandigheid haar besluit (om het GSB-boek van [eiser] af te nemen) niet, of nog maar moeilijk zou hebben kunnen terugdraaien, miskent het Hof dat dit gevolg in de risicosfeer van de bank ligt, derhalve niet aan [eiser] kan worden tegengeworpen en dus ook niet is een omstandigheid die zelfstandig of mede tot de conclusie kan leiden dat de bank niet in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld door [eiser] het GSB-boek af te nemen (op de wijze zoals zij dat heeft gedaan), aldus nog steeds het onderdeel.