Conclusie
Stb. 1993, 679):
Kamerstukken II1990/91, 21 027, nr. 5, p. 11)
Kamerstukken II1990/91, 21 027, nr. 8, p. 2.)”
Stb. 2004, 645):
Kamerstukken II2003/04, 29 291, nr. 3, p. 8 en 18)
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag waarin verdachte werd vrijgesproken van het ten eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde mensenhandel ten aanzien van een minderjarige. Het hof had het begrip 'ertoe brengen' in art. 273f, eerste lid onder 5°, Sr uitgelegd als een situatie waarin een reële eigen keuze van de prostituee in meer of mindere mate afwezig is, zonder doorslaggevende betekenis aan minderjarigheid toe te kennen.
De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg te beperkt en onjuist is, omdat de wetsgeschiedenis en eerdere rechtspraak duidelijk maken dat bij minderjarigen geen dwang hoeft te worden bewezen en dat het begrip 'ertoe brengen' ook slaat op situaties waarin minderjarigen al werkzaam zijn in de prostitutie. Het hof heeft daardoor de grondslag van de tenlastelegging verlaten door verdachte vrij te spreken op een andere juridische grond dan die tenlastegelegd was.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op basis van de juiste rechtsopvatting. Tevens geeft de conclusie een uitgebreide toelichting op de wetsgeschiedenis van art. 273f Sr en de betekenis van het begrip 'ertoe brengen' in het kader van bescherming van minderjarigen tegen seksuele uitbuiting.
De zaak benadrukt het belang van een correcte juridische interpretatie van strafbepalingen en de bescherming van minderjarigen in mensenhandelzaken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onjuiste uitleg van het begrip 'ertoe brengen' en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.