Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte het door de Stichting [A] (verder: de Stichting) ontvangen gelden heeft aangemerkt als door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, zonder dat aannemelijk is geworden dat de gelden voor rekening van de betrokkene zijn gekomen, althans dat de toerekening van die door de Stichting te ontvangen gelden aan de betrokkene ontoereikend is gemotiveerd.
“I. Ten aanzien van de door veroordeelde alleen gepleegde feiten:
alleengepleegde feiten. Deze overweging vindt haar bevestiging in het in de strafzaak gewezen arrest waarbij de betrokkene is veroordeeld wegens “feit 2 primair oplichting” en niet voor het feitelijk leiding geven daaraan dan wel het plegen van deze oplichting tezamen en in vereniging met een ander. Het bestreden oordeel is, in samenhang bezien met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen waaruit volgt dat de betrokkene als vertegenwoordiger alleen handelde, dan ook niet onbegrijpelijk. [3] Daarbij wijs ik erop dat het thans bestreden arrest op het onderhavige punt vrijwel gelijkluidend is aan het arrest van het Hof van 24 november 2006, doch dat destijds in cassatie over het punt van de toerekening niet is geklaagd. [4]
tweede middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, houdt in dat het Hof ten onrechte een bedrag van € 860,37 in verband met “[betrokkene 2]: huur auto plus meer gereden kilometers” heeft berekend bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de betrokkene en [betrokkene 1] deze leenauto gratis hadden meegekregen.
“III. Ten aanzien van de feiten tezamen met [betrokkene 1] gepleegd:
- [betrokkene 2] met [betrokkene 1] en [betrokkene] overeenkwam dat [betrokkene 2] de auto gereed zou maken en de auto ongeveer 14 dagen later zou afleveren;
- zij afspraken dat [betrokkene] en [betrokkene 1] de auto op het moment dat zij deze zouden komen halen óf contant zouden betalen óf dat zij het bedrag reeds per bankoverschrijving zouden hebben overgemaakt;
- zij afspraken dat [betrokkene] en [betrokkene 1] tot de afleverdatum gratis een leenauto zouden meekrijgen;
- [betrokkene 2] op 30 juli 2003 [betrokkene] en [betrokkene 1] belde met de mededeling dat de auto gereed was;
- [betrokkene 2] met [betrokkene] en [betrokkene 1] op 1 augustus 2003 afsprak dat zij de auto op 5 augustus 2003 zouden komen halen.
- deze auto nog moest worden gereedgemaakt;
- zij zolang gratis een leenauto meekregen, omdat zij een andere auto zouden kopen;
- zij nadat de koop niet doorging niets voor de leenauto hebben betaald.”