Conclusie
middelklaagt dat de Rechtbank een verkeerd toetsingscriterium heeft gehanteerd bij haar beslissing aangaande de ontvankelijkheid van het klaagschrift.
“De beoordeling
DE BESLISSING
niet ontvankelijk.”
Parket bij de Hoge Raad
Klaagster diende een klaagschrift in op grond van art. 552a Sv tegen de inbeslagneming van goederen behorende tot een nalatenschap. De rechtbank verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat inmiddels een vereffenaar was benoemd die volgens de rechtbank het exclusieve recht had om het klaagschrift in te dienen. De rechtbank motiveerde dit met een uitleg van art. 552a Sv in samenhang met art. 4:223 lid 3 BW Pro, waarbij zij oordeelde dat het klaagschrift beoordeeld moest worden naar de situatie op het moment van de beschikking en niet op het moment van indiening.
De Hoge Raad oordeelt dat dit een onjuiste rechtsopvatting is. Voor de ontvankelijkheid is bepalend of klaagster op het moment van indiening belanghebbende was in de zin van art. 552a Sv. De rechtbank had moeten toetsen of klaagster toen als belanghebbende kon worden aangemerkt, niet achteraf op basis van de benoeming van een vereffenaar. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en literatuur die deze uitleg ondersteunen.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het middel gegrond is en dat de bestreden beschikking vernietigd moet worden. Er zijn geen gronden gevonden om ambtshalve te vernietigen. De zaak wordt terugverwezen of anderszins door de Hoge Raad afgedaan. Deze uitspraak verduidelijkt de ontvankelijkheidstoets bij beklag over beslag in het kader van een nalatenschap met benoeming van een vereffenaar.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en stelt dat de ontvankelijkheid van het klaagschrift moet worden beoordeeld naar het moment van indiening.