ECLI:NL:PHR:2014:438

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2014
Publicatiedatum
27 mei 2014
Zaaknummer
13/03797
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 4:223 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid klaagschrift inzake beslag na benoeming vereffenaar

Klaagster diende een klaagschrift in op grond van art. 552a Sv tegen de inbeslagneming van goederen behorende tot een nalatenschap. De rechtbank verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat inmiddels een vereffenaar was benoemd die volgens de rechtbank het exclusieve recht had om het klaagschrift in te dienen. De rechtbank motiveerde dit met een uitleg van art. 552a Sv in samenhang met art. 4:223 lid 3 BW Pro, waarbij zij oordeelde dat het klaagschrift beoordeeld moest worden naar de situatie op het moment van de beschikking en niet op het moment van indiening.

De Hoge Raad oordeelt dat dit een onjuiste rechtsopvatting is. Voor de ontvankelijkheid is bepalend of klaagster op het moment van indiening belanghebbende was in de zin van art. 552a Sv. De rechtbank had moeten toetsen of klaagster toen als belanghebbende kon worden aangemerkt, niet achteraf op basis van de benoeming van een vereffenaar. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en literatuur die deze uitleg ondersteunen.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het middel gegrond is en dat de bestreden beschikking vernietigd moet worden. Er zijn geen gronden gevonden om ambtshalve te vernietigen. De zaak wordt terugverwezen of anderszins door de Hoge Raad afgedaan. Deze uitspraak verduidelijkt de ontvankelijkheidstoets bij beklag over beslag in het kader van een nalatenschap met benoeming van een vereffenaar.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en stelt dat de ontvankelijkheid van het klaagschrift moet worden beoordeeld naar het moment van indiening.

Conclusie

Nr. 13/03797 B
Mr. Harteveld
Zitting 18 februari 2014
Conclusie inzake:
[klaagster] [1]
1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 21 juni 2013 klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag.
2. Namens klaagster is beroep in cassatie ingesteld. Mrs. D. Moszkowicz en J.W.E. Luiten, advocaten te Maastricht, hebben in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het
middelklaagt dat de Rechtbank een verkeerd toetsingscriterium heeft gehanteerd bij haar beslissing aangaande de ontvankelijkheid van het klaagschrift.
3.2. De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, overwogen:

“De beoordeling

De raadsman is met de officier van justitie van mening dat klaagster ontvankelijk verklaard dient te worden in het klaagschrift en dat het klaagschrift gegrond verklaard dient te worden. In de visie van openbaar ministerie en raadsman is het moment van indienen van het klaagschrift bepalend. Op dat moment was klaagster door beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap aan te merken als vereffenaar en in die hoedanigheid was zij gerechtigd tot het indienen van het klaagschrift. De raadsman verzoekt met de officier van justitie het klaagschrift gegrond te verklaren, het beslag op te heffen en teruggave te gelasten aan de vereffenaar.
De rechtbank is, gelet op het feit dat door de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2013 een wezenlijke verandering in de positie van klaagster heeft plaats gevonden, van oordeel dat het klaagschrift en dus ook de ontvankelijkheid van het klaagschrift beoordeeld dient te worden naar de huidige stand van zaken en niet naar de stand van zaken op het moment van indiening van het klaagschrift. De rechtbank heeft op 20 juni 2013 mr. Dekker benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van [betrokkene]. Door deze beslissing vertegenwoordigt mr. Dekker vanaf dat moment de erfgenamen in en buiten rechte. Redelijke wetsuitleg van de verhouding tussen 552a Sv en (o.a.) art. 4:223 lid 3 BW Pro leidt ertoe dat gelet op de plaats die de recent benoemde vereffenaar toe behoort te komen bij de afwikkeling van de nalatenschap een klaagschrift uitsluitend door die persoon kan worden ingediend en tevens dat een eerder ten tijde van de indiening (rechtsgeldig) ingediend, klaagschrift niet langer ontvankelijk is, want niet gedaan door een daartoe bevoegd persoon. Een andere uitleg zou het (beoogde) effect van een benoeming van een vereffenaar, te weten het afwikkelen van een nalatenschap op een wijze waarop de rechtens te respecteren rechten van derden tot gelding kunnen komen, teniet worden gedaan. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat de wettelijke regeling van de vereffenaar de erfgenamen waarborgen biedt, in de vorm van toezicht op de bijzondere vereffenaar door de rechter-commissaris. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank klaagster niet ontvankelijk verklaren in het klaagschrift.

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart klaagster
niet ontvankelijk.”
3.3. Art. 552a, eerste lid, Sv luidt:
“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de vordering van gegevens, over de vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in artikel 125, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing.”
3.4. Belanghebbende in de zin van art. 552a Sv is degene wiens belang door de inbeslagneming of het gebruik van het inbeslaggenomen voorwerp in het geding is: degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen, een ieder die enig recht op het inbeslaggenomen voorwerp kan doen gelden: de eigenaar, de bezitter te goeder trouw, de zakelijk gerechtigde of iemand die uit anderen hoofde enige aanspraak op beschikkingsmacht over het voorwerp kan doen gelden zoals degene die het voorwerp in bruikleen heeft gekregen. [2] Voor de ontvankelijkheid van het beklag is beslissend de stelling van klager dat hij belanghebbende-rechthebbende is. [3]
3.5. De Rechtbank heeft - kort gezegd - geoordeeld dat in de onderhavige zaak een klaagschrift uitsluitend door de vereffenaar, mr. Dekker, kan worden ingediend, aangezien deze persoon thans de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt, en dat het klaagschrift van klaagster niet langer ontvankelijk is, omdat zij daartoe niet bevoegd is. Daarmee heeft de Rechtbank het bepaalde in het eerste lid van artikel 552a Sv miskend. Voor de beantwoording van de vraag of klaagster kon worden ontvangen in haar beklag had de Rechtbank moeten toetsen of zij kon gelden als belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv. Het oordeel van de Rechtbank dat klaagster niet kan worden ontvangen in haar beklag geeft aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4.
Het middel is terecht voorgesteld.
5.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
6.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de samenhangende zaak [medeklager], met griffienummer 13/03099B, concludeer ik vandaag eveneens.
2.Zie J. Wöretshofer in Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 4.1 op art. 552a (juni 2003, suppl. 135).
3.Zie Hoge Raad, 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8586 en Hoge Raad, 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2962. Ook: Tekst & Commentaar Strafvordering, 10e druk, Deventer 2013, ad art. 552a Sv (Wöretshofer), aant. 3b.