ECLI:NL:PHR:2014:477
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart OM niet-ontvankelijk bij vervolging erkende vluchteling wegens gebruik vervalst reisdocument
Verdachte werd door het hof veroordeeld wegens opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument. Hij voerde verweer op grond van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, stellende dat hij als vluchteling bescherming geniet en het OM niet-ontvankelijk zou moeten zijn in de vervolging.
Het hof verwierp dit verweer omdat verdachte voorafgaand aan zijn komst naar Nederland in Duitsland verbleef en daar asiel had kunnen aanvragen, en omdat hij wisselende verklaringen gaf over zijn verblijf en reisplannen. Het hof oordeelde dat het beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro niet slaagt.
De Hoge Raad herhaalt echter zijn eerdere rechtspraak dat de strafrechter zich in beginsel moet onthouden van een zelfstandig oordeel over de vluchtelingenstatus zolang niet onherroepelijk is beslist op de asielaanvraag. Omdat het hof niet heeft onderzocht of op de asielaanvraag onherroepelijk is beslist, kan niet worden aangenomen dat het beroep op vluchtelingenbescherming evident ongegrond is.
In cassatie is een onherroepelijke beschikking overgelegd waarin aan verdachte een verblijfsvergunning als vluchteling is verleend. Gelet hierop verklaart de Hoge Raad het OM niet-ontvankelijk in de vervolging wegens het gebruik van vervalste documenten in het kader van zijn vlucht.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en bepaalt dat verdachte niet strafrechtelijk vervolgd mag worden voor het gebruik van het vervalste reisdocument in het kader van zijn vlucht, nu hij als vluchteling erkend is.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging omdat verdachte als vluchteling erkend is.