Conclusie
Inleiding
De feiten
Het geding in eerste aanleg
- Het door erflater gemaakte testament van 22 april 2002 te vernietigen voor zover het betreft de beschikking ten behoeve van [verweerster 1].
- [verweerster 1] te veroordelen tot het binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan het in de verkoop stellen van het appartementsrecht gelegen aan de [b-straat 1] te Rotterdam, alsmede haar medewerking te verlenen aan de uiteindelijke levering van genoemd registergoed aan een derde.
- [verweerster 1] te veroordelen binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eisers 2 en 3] afzonderlijk de helft van € 68.520,81 (dat is: € 34.260,41) te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het gaat hier, volgens [eisers 2 en 3], om een vordering van erflater op [verweerster 1] in verband met de financiering van het appartementsrecht aan de [b-straat 1] te Rotterdam. Deze vordering is in de nalatenschap gevallen.
- [verweerster 1] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [eisers 2 en 3] de privé-goederen van erflater af te geven.
- [verweerster 1] te veroordelen in de kosten en schade, vermeerderd met de wettelijke rente, cumulatief, zoals vermeld in artikel 3 van Pro de tussen haar en erflater gesloten overeenkomst op 5 april 2001, door [eisers 2 en 3] begroot op € 614.221,59. (Dit artikel 3 houdt Pro in een regeling inzake het in gebreke blijven na de verklaring gebruik te willen maken van het voorkeursrecht als geregeld in artikel 2 van Pro bedoelde overeenkomst.)
Het geding in hoger beroep
- Te verklaren voor recht dat de nalatenschap van erflater als gevolg van de beneficiaire aanvaarding door erfgenamen op 15 februari 2005 (de datum waarop de ter griffie van de rechtbank afgelegde verklaringen van beneficiaire aanvaarding in het boedelregister zijn ingeschreven), dient te worden afgewikkeld met inachtneming van boek 4, titel 6, afdeling 3 Burgerlijk Wetboek en dat de vonnissen van de rechtbank daarom moeten worden vernietigd en de boedel binnen 14 dagen na betekening moeten worden teruggebracht in de staat van vóór het vonnis van 22 oktober 2008 op straffe van verbeurte van een dwangsom.
- Te verklaren voor recht dat tot de activa van de nalatenschap van erflater behoort een vordering op [verweerster 1] ten bedrage van € 83.307,67, te vermeerderen met de wettelijke rente.
- Te verklaren voor recht dat tot de activa van de nalatenschap behoort een vordering op [verweerster 1] gelijk aan € 197.500,- verminderd met de helft van de verkoopopbrengst van het appartement [b-straat 1], te Rotterdam, en vermeerderd met de wettelijke rente.
- Te verklaren voor recht dat de relatie tussen erflater en [verweerster 1] op 8 september 2002 is geëindigd en/of hij de woning metterwoon heeft verlaten.
- [verweerster 1] te veroordelen om aan [eisers 2 en 3], dan wel [eiser 3] de persoonlijke eigendommen en de volledige administratie van erflater af te geven.
- [verweerster 1] te veroordelen in de kosten van beide instanties.
nietworden aangemerkt als het meterwoon (lees: metterwoon; plv. P-G) verlaten van de gemeenschappelijke woning als bedoeld in voormelde (aanvullende) overeenkomst. Naar het oordeel van het hof is erflater tot vertrek uit de gemeenschappelijke woning gedwongen vanwege zijn medische situatie en kan als oorzaak van dit vertrek niet worden aangemerkt het beëindigen van de affectieve relatie na 30 jaar. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de affectieve relatie tussen erflater en geïntimeerde is geëindigd door zijn dood. Geïntimeerde is derhalve jegens appellanten gerechtigd om nakoming te vorderen met betrekking tot de rechten en plichten voorvloeiende uit de overeenkomsten met betrekking tot samenleving. Grief 1 treft derhalve geen doel.”
Het geding in cassatie
Ontvankelijkheid in cassatie
Het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
gemotiveerdebetwisting zijdens [verweerster 1], heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, indien het hof onder een gemotiveerde betwisting verstaat hetgeen het in rov. 13 aanhaalt. Het onderdeel klaagt dat het (enkele) feit dat een wederpartij stelt dat een vordering onvoldoende zou zijn onderbouwd, nog niet maakt dat die vordering wordt betwist, laat staan dat die voldoende wordt betwist en dat het hof de vordering als vaststaand had dienen aan te merken. De onderdelen III.2 en III.3 bouwen voort op onderdeel III.1.