Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht onder 1.1houdt in dat het oordeel in tweeërlei opzicht blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting:
niet objectief verifieerbare omstandighedenten grondslag te leggen;
niet objectief verifieerbare omstandigheden.Bij beslissingen die in het
family lifeingrijpen is onvermijdelijk dat de rechter ook rekening houdt met aspecten die niet meetbaar zijn of die zich moeilijk laten voorspellen. Zo kan bijvoorbeeld een debat tussen twee ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen het nodig maken dat de rechter zich uitspreekt over de kans dat een kind zich zal aanpassen in een andere cultuur of over de kwaliteit van de communicatie tussen de ouders. Een abstractie van al hetgeen niet objectief verifieerbaar is, verdient in het familierecht geen aanbeveling. Art. 8 lid 2 EVRM Pro noopt tot een afweging van het recht op bescherming van
family lifeen de rechten en vrijheden van anderen. De rechtsklacht onder a gaat om deze redenen niet op.
Principles of European Family Law regarding Parental Responsibilities [15] . Inmiddels heeft, ter voorbereiding van besluitvorming in het Comité van Ministers van de Raad van Europa, het
Committee of Experts on Family Laween
Draft Recommendation on the rights and legal status of children and parental responsibilitiesopgesteld [16] , waarin ook het onderwerp “
Residence and relocation” wordt behandeld. In punt 31.4 van de (gewijzigde) concepttekst zoals in 2011 gepubliceerd staat slechts de algemene formule: “In resolving such a dispute, the best interest of the child should be a primary consideration, and due weight should be given to all relevant factors”. In het bijbehorende
Explanatory Memorandumzijn evenwel de volgende, niet limitatieve aandachtspunten voor de beslissing over een verhuizing opgesomd:
General Commentop artikel 3 het Pro licht doen zien [18] . Daaruit is het volgende van belang:
Balancing the elements in the best-interests assessment
Recommendation) van het Comité van Ministers of het
General Commentop art. 3 IVRK Pro is op zichzelf nog geen ‘recht’ in de zin van art. 79 RO Pro, waaraan rechtstreeks kan worden getoetst. Nu in dit cassatieberoep niet is geklaagd over een schending van art. 3 IVRK Pro, laat ik hier in het midden, in hoeverre dit artikel kan worden beschouwd als een zelfstandige verdragsbepaling (naast de andere IVRK-bepalingen), die voor een ieder verbindend is. Hoe dan ook, uit de genoemde ontwerp-
Recommendationnoch uit het genoemde
General Commentkan ik opmaken dat de rechter bij zijn beoordeling zich behoort te beperken tot ‘objectief verifieerbare omstandigheden’.
impactheeft op het dagelijkse leven van het betrokken kind en op de betrekkingen tussen het kind en de andere ouder [21] .
impactvoor de dochters van een verhuizing van Apeldoorn naar een willekeurig adres in Grathem, dan wel (ook) de samenstelling van het nieuw te vormen gezin in zijn beoordeling had mogen betrekken. Gesteld dat de moeder in haar huis in Apeldoorn had willen gaan samenwonen met een nieuwe partner: zou zij daarvoor dan de toestemming van de vader nodig hebben gehad? Mijns inziens niet. De vereiste instemming van de ouder die mede het uitoefent heeft slechts betrekking op belangrijke (d.w.z. niet alledaagse) beslissingen die de verzorging of opvoeding van het kind betreffen.
klacht onder 1.2is subsidiair voorgesteld. Zij houdt in dat het onder (b) aangehaalde oordeel onbegrijpelijk is, want in tegenspraak met een ter terechtzitting door het hof gegeven motivering van de weigering van een verzoek van de moeder om haar nieuwe partner ter zitting het woord te laten voeren. Het hof heeft in dat verband doen weten dat het in deze procedure niet gaat om de samenwoning van de moeder en haar nieuwe partner, maar om een afweging van de belangen van de moeder, de vader en de beide dochters [22] . De motiveringsklacht faalt omdat, blijkens het voorgaande, geen sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid.
klacht onder 1.3veronderstelt dat de duur van de relatie tussen de moeder en haar nieuwe partner mede dragend is voor de beslissing. In dit verband wijst de moeder erop dat ten tijde van de bestreden beschikking deze relatie al 14 tot 15 maanden duurde en, als bijkomstige omstandigheid, dat zij in de procedure bij het hof onbetwist heeft gesteld dat zij met deze man circa 20 jaar geleden ook al een relatie had gehad. Waar zowel de moeder als haar nieuwe partner volwassen personen zijn die ieder verantwoordelijkheid voor een gezin met jonge kinderen dragen, en in de gedingstukken geen aanwijzing te vinden is dat zij deze verantwoordelijkheid niet zouden aankunnen, acht de moeder onbegrijpelijk dat het hof hun relatie kennelijk aanmerkt als van korte duur en (te) pril. Het geeft volgens de klacht blijk van een storende, niet passende bevoogding en is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Indien de beslissing zo moet worden begrepen dat het hof uitsluitend heeft gelet op de duur van de relatie ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof de toewijsbaarheid dient te beoordelen naar de actuele stand van zaken.
klacht onder 1.4veronderstelt dat het hof het bestreden oordeel baseert op een feit van algemene bekendheid of een ervaringsregel, die inhoudt dat een relatie zoals die tussen de moeder en haar nieuwe partner, sinds kort weduwnaar, uit haar aard problematisch is in die mate dat (in verband met rouwverwerking) eerst na verloop van enige tijd een (gunstige) uitspraak kan worden gedaan over de duurzaamheid van deze nieuwe relatie. De klacht houdt in dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij ontoereikend is gemotiveerd. De toelichting vermeldt dat op dit punt ook geen onderzoek is gedaan door een deskundige of door de Raad voor de Kinderbescherming.
klacht onder 1.5is gericht tegen de gevolgtrekking die het hof aan de bestreden overweging heeft verbonden. Zij mist zelfstandige betekenis naast de vorige klachten.
klacht onder 2.1houdt in dat het hof weliswaar verwijst naar hetgeen de dochters met Apeldoorn verbindt, maar dat onbegrijpelijk is waarom het hof niet in zijn oordeel heeft betrokken dat de dochters óók belang erbij hebben om op één plaats te verblijven.
klacht onder 2.2houdt in dat onbegrijpelijk is waarom het hof nadruk legt op de afstand tussen beide plaatsen (ca. 160 km), hoewel de moeder had aangeboden de bestaande haal- en brengregeling zodanig aan te passen dat de tijd die de vader met de dochters doorbrengt dezelfde blijft. De
klacht onder 2.3sluit hierbij aan: ontoelaatbaar onduidelijk is, waarop het hof in dit verband doelt met de verwijzing naar “de nog jonge leeftijd van de kinderen” en naar de “leeftijdsfase” waarin zij zich bevinden. De
klacht onder 2.4vervolgt dat de verwijzing naar de impact van de voorgenomen verhuizing op het contact tussen de kinderen en de vader onbegrijpelijk is: niettegenstaande de afstand tussen Apeldoorn en Grathem, wordt de bestaande zorgregeling door de voorgenomen verhuizing niet aangetast. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
overruled’door een zwaarder wegend belang van (een van) de ouders. Het hof acht het weigeren van de gevraagde toestemming op dit moment het meest in het belang van de dochters. Onbegrijpelijk voor de lezer is de redengeving niet. Ik teken hierbij aan dat het debat in hoger beroep niet alleen ging over de vraag of de omgang met de vader met dezelfde frequentie gehandhaafd kon blijven wanneer de moeder met de dochters in Grathem gaat wonen, maar óók over het bevorderen van rust en stabiliteit voor de kinderen [24] . In de tweede plaats mag bij de beoordeling van deze motiveringsklacht niet uit het oog worden verloren dat het oordeel van het hof mede hierop berust dat, afgezien van haar belang bij de relatie met haar nieuwe partner, de moeder haar stelling dat de voorgenomen verhuizing in het belang van de dochters is, onvoldoende heeft onderbouwd.
slotklacht onder 2.5mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en kan verder onbesproken blijven.