ECLI:NL:PHR:2014:505

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2014
Publicatiedatum
10 juni 2014
Zaaknummer
13/02311
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 27 Srart. IV.3 Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens ontbrekende pleitnota en nietigheid onderzoek

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 26 april 2013 een verdachte veroordeeld wegens opzetheling en vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De verdediging stelde in cassatie dat het onderzoek ter terechtzitting nietig was omdat de pleitnota die door de raadsman was overgelegd, ontbrak bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.

De Hoge Raad heeft vastgesteld dat de pleitnota inderdaad ontbreekt en dat deze ook niet meer beschikbaar zal komen. Hierdoor kan niet worden nagegaan of er tijdens de terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan in het arrest vermeld, wat een ernstig procesverzuim oplevert dat strijdig is met een behoorlijke procesorde.

Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak. De Hoge Raad concludeert daarom tot vernietiging van het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. Een bespreking van het eerste middel in cassatie is achterwege gelaten omdat het tweede middel reeds tot vernietiging leidt.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd wegens het ontbreken van de pleitnota, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 13/02311
Zitting: 8 april 2014
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte] [1]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 26 april 2013 – met toepassing van art. 63 Sr Pro – bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 8 juni 2012, waarbij de verdachte is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en wegens het subsidaire “opzetheling” is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 33 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro en tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. D.N. de Jonge, advocaat te Haarlem, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur en een aanvullende schriftuur ingezonden en daarin in totaal twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
tweede middelklaagt dat het onderzoek ter terechtzitting [2] in hoger beroep van 26 april 2013 nietig is, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het Hof overgelegde pleitnotities zich niet (meer) bij de stukken bevinden.
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2013 is aldaar door de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van zijn pleitnotities die door hem aan het Hof zijn overgelegd.
5. De in dit proces-verbaal vermelde pleitnotities ontbreken bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Overeenkomstig het Procesreglement heeft de raadsman van de verdachte bij faxbericht van 30 augustus 2013 – en 9 oktober 2013 – tijdig aan de Rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van deze pleitnotities. Desgevraagd heeft de griffier van het Hof bij brief van 24 oktober 2013 de Hoge Raad bericht dat deze pleitnotities niet op het Hof zijn achtergebleven.
6. Gelet hierop valt niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan de in het bestreden arrest vermeld dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nu het blijkens bij het Hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. [3] Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
7. Gelet op het voorgaande kan een bespreking van middel 1 volgens mij achterwege blijven. Indien de Hoge Raad daartoe aanleiding ziet, ben ik bereid aanvullend te concluderen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de verdachte met nummer 13/02312, in welke zaak ik eveneens vandaag concludeer.
2.En naar ik aanneem bedoelt de steller van het middel – hoewel dit niet expliciet is vermeld – ook dat de naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 april 2013 gedane uitspraak nietig is.
3.Vgl. HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:467; zie ook HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6516 en HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8142.