ECLI:NL:PHR:2014:524

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2014
Publicatiedatum
16 juni 2014
Zaaknummer
14/00151
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EEX-VoArt. 2 Uitvoeringswet EG-executieverordeningArt. 34 EEX-VoArt. 35 EEX-VoArt. 38 EEX-Vo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling uitvoerbaarverklaring civielrechtelijke veroordeling in Belgisch strafvonnis onder EEX-Verordening

In deze zaak gaat het om de uitvoerbaarverklaring in Nederland van een civielrechtelijke veroordeling die is uitgesproken in een strafvonnis van de Belgische rechtbank Antwerpen. De civielrechtelijke veroordeling betreft een schadevergoeding opgelegd aan de verzoeker in het kader van faillissementsmisdrijven. De voorzieningenrechter in Utrecht verklaarde het Belgische vonnis uitvoerbaar op grond van de EEX-Verordening.

De verzoeker stelde meerdere bezwaren tegen deze uitvoerbaarverklaring, waaronder een betoog over een betekeningsgebrek in de Belgische procedure en de vraag of een deurwaarder als procesgemachtigde mocht optreden in de Nederlandse rechtsmiddelprocedure. De rechtbank Midden-Nederland verwierp deze bezwaren en verklaarde het beroep ongegrond.

De Hoge Raad bevestigt dat de EEX-Verordening ook van toepassing is op civielrechtelijke beslissingen van strafrechters en dat de procedure tot uitvoerbaarverklaring en de rechtsmiddelprocedure in Nederland volgens het interne procesrecht worden behandeld. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van de verzoeker niet tot vernietiging van de bestreden beslissingen kunnen leiden, onder meer omdat de verzoeker zijn stellingen onvoldoende met bewijs heeft onderbouwd en de procesvertegenwoordiging door een deurwaarder in de rechtsmiddelprocedure niet correct was maar dit gebrek niet tot belang leidt.

Daarnaast wordt bevestigd dat de rechtsmiddelprocedure niet per se door een meervoudige kamer hoeft te worden behandeld en dat de proceskostenveroordeling in de verzoekschriftprocedure rechtmatig is. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitvoerbaarverklaring van het Belgische vonnis.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitvoerbaarverklaring van de civielrechtelijke veroordeling in het Belgische strafvonnis blijft gehandhaafd.

Conclusie

14/00151
Mr. P. Vlas
Zitting, 6 juni 2014 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] (Nederland)
(hierna: [verzoeker])
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] (België)
(hierna: [verweerder])
In deze procedure is het rechtsmiddel van cassatie op grond van art. 44 EEX Pro-Verordening [1] ingesteld tegen de op het rechtsmiddel van art. 43 EEX Pro-Verordening gegeven beslissing van de rechtbank inzake de uitvoerbaarverklaring van een civielrechtelijke veroordeling in een Belgisch strafvonnis. De volgende vragen komen aan de orde: (1) moet deze uitvoerbaarverklaring worden ingetrokken wegens een betekeningsgebrek in de Belgische procedure, en (2) kan een deurwaarder als procesgemachtigde optreden in het kader van de Nederlandse rechtsmiddelprocedure?

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij vonnis van 20 oktober 2010 is [verzoeker] door de Rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen te België strafrechtelijk veroordeeld voor faillissementsmisdrijven in het kader van het faillissement van de vennootschap naar Belgisch recht BVBA Foodplaza, en is [verzoeker] voorts civielrechtelijk veroordeeld om aan [verweerder], die zich als faillissementscurator in het geding heeft aangesloten, een schadevergoeding te betalen. [2]
1.2
Op verzoek van [verweerder] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht bij beschikking van 14 november 2012 het vonnis van de Belgische rechter, wat betreft de civielrechtelijke veroordeling, uitvoerbaar verklaard op grond van art. 38 EEX Pro-Vo.
1.3
[verzoeker] is op de voet van art. 43 EEX Pro-Vo opgekomen tegen de beslissing tot uitvoerbaarverklaring. Bij tussenbeschikking van 25 juli 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland de bezwaren van [verzoeker] verworpen met betrekking tot (i) de tijdigheid van het ingediende verweerschrift van [verweerder], (ii) de vertegenwoordiging van [verweerder] door een deurwaarder en (iii) de behandeling van de rechtsmiddelprocedure door een enkelvoudige kamer van de rechtbank.
1.4
Bij eindbeschikking van 9 oktober 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland het door [verzoeker] ingestelde rechtsmiddel ongegrond verklaard, omdat geen van de weigeringsgronden van art. 34 en Pro 35 EEX-Vo zich verzet tegen de uitvoerbaarverklaring van het vonnis van de Belgische rechter.
1.5
[verzoeker] heeft op de voet van art. 44 EEX Pro-Vo tijdig [3] cassatieberoep ingesteld tegen de tussen- en eindbeschikking van de rechtbank. [verweerder] heeft geen verweer gevoerd

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel heeft betrekking op (i) de afwijzing door de rechtbank van het door [verzoeker] ingestelde rechtsmiddel tegen de uitvoerbaarverklaring van het Belgische vonnis en voorts op (ii) een aantal processuele aspecten ten aanzien van de procedure tot uitvoerbaarverklaring en de rechtsmiddelprocedure zoals deze in Nederland op grond van het Nederlandse procesrecht moet worden gevoerd. Bij de behandeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Uit art. 45 EEX Pro-Vo en uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat de rechter in het kader van een krachtens art. 43 EEX Pro-Vo ingestelde rechtsmiddelprocedure (en ook de rechtsmiddelprocedure van art. 44 EEX Pro-Vo), een uitvoerbaarverklaring van een beslissing uit een andere lidstaat uitsluitend kan weigeren of intrekken op één van de in art. 34 en Pro 35 EEX-Vo genoemde gronden. [4] De onder (i) genoemde klachten hebben betrekking op de weigeringsgrond van art. 34 sub Pro 2 EEX-Vo (betekeningsgebrek) en laten zich dus zonder meer in deze rechtsmiddelprocedure toetsen. De onder (ii) genoemde klachten hebben geen betrekking op de weigeringsgronden van art. 34 en Pro 35 EEX-Vo, maar op de processuele gang van zaken bij de procedure tot uitvoerbaarverklaring en de rechtsmiddelprocedure in Nederland. [5] Deze klachten hebben derhalve geen betrekking op (de uitleg van) de EEX-Verordening, maar zien op kwesties van intern Nederlands procesrecht. De rechtspraak van het HvJEU staat aan behandeling van deze klachten niet in de weg.
2.2
Onderdeel Ibetoogt dat de rechtbank een onjuist oordeel heeft gegeven door in rov. 2.8 van de tussenbeschikking over te gaan tot verwerping van de stelling van [verzoeker] dat de rechtsmiddelprocedure door een meervoudige en niet een enkelvoudige kamer van de rechtbank behandeld dient te worden. Het middel betoogt dat (de strekking van) art. 43 lid 2 EEX Pro-Vo zich verzet tegen afdoening door een enkelvoudige kamer, hetgeen zou blijken uit de in bijlage III bij de EEX-Verordening genoemde rechtscolleges van de overige lidstaten; de verwijzing naar rechterlijke instanties in Duitsland, Frankrijk, Italië en Oostenrijk ziet volgens het middel onmiskenbaar op meervoudige kamers.
2.3
De klacht faalt, omdat art. 43 lid 2 EEX Pro-Vo – anders dan het middel betoogt – geen eisen stelt aan het gerecht waarvoor de rechtsmiddelprocedure wordt gevoerd. Het is aan de lidstaten zelf om te bepalen bij welke met rechtspraak belaste instantie een rechtsmiddelprocedure wordt gevoerd. De keuze voor behandeling door een enkelvoudige of een meervoudige kamer van een met rechtspraak belaste instantie is een kwestie die behoort tot de interne rechterlijke organisatie van de afzonderlijke lidstaten. De EEX-Verordening heeft hierop geen betrekking. In art. 4 Uitvoeringswet Pro EG-executieverordening [6] heeft de Nederlandse wetgever de rechtbank van welke de voorzieningenrechter op het verzoek om een verlof tot tenuitvoerlegging heeft beschikt, aangewezen als gerecht waarbij het rechtsmiddel van art. 43 EEX Pro-Vo moet worden ingesteld. Art. 15 Rv Pro bepaalt of een gerechtelijke procedure wordt behandeld door een enkelvoudige of meervoudige kamer van de rechtbank. De wet schrijft niet voor dat de rechtsmiddelprocedure van art. 43 EEX Pro-Vo door een meervoudige kamer moet worden behandeld. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer van de rechtbank ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, wordt de zaak doorverwezen naar een meervoudige kamer (art. 15 lid 2 Rv Pro). De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de zaak naar een meervoudige kamer door te verwijzen (zie rov. 2.8 van de tussenbeschikking). Het oordeel over de (on)geschiktheid van een zaak voor behandeling door een enkelvoudige kamer is voorbehouden aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter. Bovendien bestaat geen grond voor de veronderstelling dat de rechtsmiddelprocedure van art. 43 EEX Pro-Vo zich in het algemeen niet leent voor behandeling door een enkelvoudige kamer.
2.4
Onderdeel IIkeert zich kennelijk tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.4 en 2.5 van de eindbeschikking met betrekking tot de vraag of sprake is van een in art. 34 sub Pro 2 EEX-Vo bedoeld gebrek in de betekening in de procedure die heeft geleid tot het uitvoerbaar verklaarde Belgische vonnis. Indien sprake zou zijn van een dergelijk gebrek, leidt dat tot een intrekking van de uitvoerbaarverklaring van het Belgische vonnis op grond van art. 45 lid 1 EEX Pro-Vo. Vast staat dat [verzoeker] niet is verschenen in de procedure bij de rechtbank te Antwerpen en dat hij in die procedure geen verweer heeft gevoerd. [verzoeker] stelt zich op het standpunt niet verschenen te zijn omdat de rechtbank Antwerpen de oproep heeft verzonden naar een onjuist adres, waardoor hij niet in de gelegenheid is geweest verweer te voeren. Uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) zou volgens [verzoeker] blijken dat hij ten tijde van de oproeping niet meer woonachtig was op het adres dat op de oproep staat vermeld. De rechtbank heeft dit verweer verworpen, aangezien [verzoeker] heeft nagelaten zijn standpunt met stukken, zoals een historisch GBA-uittreksel, te onderbouwen terwijl dat wel op zijn weg had gelegen (zie rov. 2.5 van de eindbeschikking). Daar [verzoeker] zijn – op een blote stelling gestoeld – verweer niet heeft gestaafd met stukken terwijl dat wel op zijn weg had gelegen, kon de rechtbank niet anders dan het beroep op de weigeringsgrond van art. 34 sub Pro 2 EEX-Vo verwerpen, mede gelet op het feit dat [verzoeker] te dien aanzien geen bewijsaanbod heeft gedaan. [7] De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.
2.5
Onderdeel IIIheeft betrekking op de rov. 2.4 t/m 2.6 van de tussenbeschikking en rov. 2.2 van de eindbeschikking waarin de rechtbank heeft overwogen dat, in afwijking van de hoofdregel van art. 282 Rv Pro, [verweerder] zich in de onderhavige rechtsmiddelprocedure mag laten vertegenwoordigen door een deurwaarder. Het middel voert aan dat de rechtbank hiermee een onjuiste uitleg heeft gegeven van het bepaalde in art. 2 lid 2 Uitvoeringswet Pro EG-executieverordening, omdat een deurwaarder niet bevoegd moet worden geacht in het kader van de rechtsmiddelprocedure krachtens art. 43 EEX Pro-Vo een verweerschrift in te dienen en/of ter zitting verweer te voeren. Voor de beoordeling van deze klacht is van belang hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 2.6 van de tussenbeschikking:
‘(…) Nu de (Nederlandse) wetgever nadrukkelijk bepaald heeft dat een deurwaarder mag optreden als procesvertegenwoordiger in een verlofprocedure ex artikel 39 EEX Pro-Vo, past het bij de ratio van de EEX-Vo en de bedoeling van de wetgever met de uitvoeringswet dat een deurwaarder een procespartij ook mag vertegenwoordigen in de verzetprocedure. Doorslaggevend in deze acht de rechtbank het karakter van de verzetprocedure, waarin de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd de gelegenheid krijgt op tegenspraak verweer te voeren tegen het verleende verlof, en de onlosmakelijk samenhang tussen de verlof- en de verzetprocedure. Uit het vorengaande moet dan ook worden geconcludeerd dat, in afwijking van de hoofdregel van artikel 288 Rv Pro, [verweerder] zich in de onderhavige verzetprocedure mag laten vertegenwoordigen door een deurwaarder’. [8]
2.6
De vraag die door het middel aan de orde wordt gesteld, betreft niet de uitleg van de EEX-Verordening maar de uitleg van de Uitvoeringswet EG-executieverordening. In art. 2 Uitvoeringswet Pro EG-executieverordening zijn voorschriften opgenomen omtrent de procesvertegenwoordiging in het kader van het verzoek tot uitvoerbaarverklaring als bedoeld in art. 38 EEX Pro-Vo. Volgens art. 2 lid 2 Uitvoeringswet Pro EG-executieverordening wordt het verzoek ingediend door een deurwaarder of advocaat, met dien verstande dat geen procesvertegenwoordiging is voorgeschreven indien het bedrag dat voldaan moet worden door de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd in hoofdsom niet hoger is dan het bedrag genoemd in art. 93, onder a, Rv (thans € 25.000,-). Zowel uit de wettekst als uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de regeling omtrent de procesvertegenwoordiging in art. 2 Uitvoeringswet Pro EG-executieverordening uitsluitend betrekking heeft op het indienen van het verzoek tot uitvoerbaarverklaring als bedoeld in art. 38 EEX Pro-Vo. Zie de volgende passage uit de MvT, waarbij in verband met de afschaffing van het procuraat per 1 september 2008 [9] voor ‘procureur’ thans ‘advocaat’ kan worden gelezen:
‘Artikel 2, tweede lid (…) maakt daarnaast mogelijk dat een deurwaarder als gemachtigde voor de verzoeker optreedt. Deze uitbreiding van de kring van gemachtigden sluit aan bij het doel van de verordening om de exequaturprocedure zoveel mogelijk te vereenvoudigen. De procedure tot verkrijging van het verlof tot tenuitvoerlegging is immers in beginsel gereduceerd tot een vrijwel automatische verlening waartoe na een eenvoudige, formele controle van de overgelegde documenten wordt overgegaan. Bijstand van een deurwaarder of procureur is niet vereist onder de in artikel 93, onder a, Rv bepaalde financiële grens (…). Slechts boven deze financiële grens is ondertekening en indiening van het verzoekschrift door een deurwaarder of procureur vereist’. [10]
2.7
Hieruit kan worden afgeleid dat de deurwaarder niet als procesvertegenwoordiger kan optreden in het kader van de rechtsmiddelprocedure van art. 43 EEX Pro-Vo. Dit ligt ook voor de hand, omdat in deze procedure sprake is van meer dan alleen – in de woorden van de MvT bij de Uitvoeringswet – ‘een eenvoudige, formele controle van de overgelegde documenten’. In de rechtsmiddelprocedure zal immers aan bod komen of de beslissing van de buitenlandse rechter erkenning en tenuitvoerlegging wordt onthouden op een of meer van de in art. 34 en Pro 35 EEX-Vo genoemde weigeringsgronden (zie art. 45 lid 1 EEX Pro-Vo). De rechtsmiddelprocedure wordt volgens de regels van de procedure op tegenspraak behandeld (art. 43 lid 3 EEX Pro-Vo), waarbij in de Uitvoeringswet EG-executieverordening geen bijzondere regeling is getroffen omtrent de procesvertegenwoordiging van partijen. Dit heeft tot gevolg dat voor de procesvertegenwoordiging in de rechtsmiddelprocedure van art. 43 EEX Pro-Vo de gewone regels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelden. Dit volgt ook uit de MvT van de Uitvoeringswet EG-executieverordening:
‘Artikel 2, tweede lid (…) bepaalt dat een verlof tot tenuitvoerlegging bij verzoekschrift dient te worden aangevraagd. Dit brengt mee dat op grond van artikel 261 Rv Pro de regels voor de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg van dit wetboek van toepassing zijn, voor zover uit de wet of de verordening niet anders voortvloeit’. [11]
2.8
De toepasselijkheid van de algemene regels voor verzoekschriftprocedures in de derde titel van het Eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op de rechtsmiddelprocedure van art. 43 EEX Pro-Vo, betekent onder meer dat het verzoekschrift en het verweerschrift in de rechtsmiddelprocedure ingediend moet worden door een advocaat (zie art. 278 lid 3 Rv Pro respectievelijk art. 282 Rv Pro). [verweerder] heeft zich in de onderhavige rechtsmiddelprocedure bij de rechtbank dan ook niet mogen laten vertegenwoordigen door een deurwaarder. Door de procesvertegenwoordiging door een deurwaarder toe te laten heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 2 Uitvoeringswet Pro EG-executieverordening. Hoewel de klacht naar mijn mening op dit punt terecht is voorgesteld, kan deze bij gebrek aan belang niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikkingen. [12] Niet valt in te zien dat [verzoeker] in zijn belangen is geschaad door een onjuiste procesvertegenwoordiging aan de zijde van [verweerder], omdat de door [verzoeker] aangevoerde gronden voor intrekking van de uitvoerbaarverklaring in geen geval kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden beschikkingen, zoals ook hierna zal blijken.
2.9
Onderdeel IVheeft betrekking op het door [verzoeker] gestelde gebrek in de betekening van de procedure die heeft geleid tot het Belgische vonnis waarvan de erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland wordt gevraagd. Het middel faalt voor zover het voortbouwt op de klacht van onderdeel II (zie nr. 2.4). Verder betoogt het middel dat de rechtbank in rov. 2.3 van de eindbeschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat art. 34 sub Pro 2 EEX-Vo [verweerder] niet verplicht bij het verzoekschrift tot uitvoerbaarverklaring een gewaarmerkt afschrift van het in deze bepaling bedoelde geding inleidende stuk te overleggen en dat pas na de uitvoerbaarverklaring in de rechtsmiddelprocedure moet worden beoordeeld of tijdige betekening of mededeling van het geding inleidende stuk aan de verweerder heeft plaatsvonden. Volgens de klacht dient bij het verzoek tot uitvoerbaarverklaring wel de inleidende dagvaarding te worden overgelegd, omdat sprake is van een bij verstek gewezen vonnis.
2.1
Het onderdeel faalt. De opstellers van de EEX-Verordening hebben tot uitgangspunt genomen dat de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren ‘doeltreffend en snel’ moet zijn. [13] De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing wordt dan ook vrijwel automatisch afgegeven, zonder dat het gerecht ambtshalve de weigeringsgronden in art. 34 en Pro 35 EEX-Vo toetst. De enige toets die de aangezochte rechter in deze fase van de exequaturprocedure uitvoert is een eenvoudige formele controle van de documenten die krachtens art. 53 EEX Pro-Vo moeten worden overgelegd, te weten een expeditie van de beslissing en het in bijlage V bij de EEX-Verordening opgenomen certificaat dat is afgegeven door het gerecht van de lidstaat waar de beslissing is gegeven. Andere stukken, zoals de inleidende dagvaarding van de procedure die heeft geleid tot de beslissing waarvan de erkenning en de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, worden in deze fase van de exequaturprocedure niet overgelegd. [14]
2.11
Onderdeel Vheeft betrekking op rov. 2.7 van de eindbeschikking waarin de rechtbank onder meer heeft overwogen dat het enkele feit dat geen certificaat is overgelegd geen weigeringsgrond oplevert in de zin van art. 34 en Pro 35 EEX-Vo. Als ik het goed begrijp brengt het middel hiertegen in dat het ontbreken in de ‘betekende stukken’ van het in art. 54 jo Pro. 53 EEX-Vo bedoelde certificaat in strijd is met de openbare orde, zodat de rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven. Voor zover het middel hiermee zou willen betogen dat in het kader van de betekening van de verklaring van uitvoerbaarheid aan [verzoeker] tevens het genoemde certificaat diende te worden gezonden, faalt het omdat de EEX-Verordening zulks niet voorschrijft. Op grond van art. 42 lid 2 EEX Pro-Vo wordt de verklaring van uitvoerbaarheid betekend of medegedeeld aan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd en gaat de verklaring vergezeld van de beslissing indien deze nog niet aan haar is betekend of meegedeeld. Het middel doet voorts een beroep op (de voorloper van) art. 61 EEX Pro-Vo waarin een regeling is getroffen met betrekking tot de civielrechtelijke aansprakelijkheid van een op het grondgebied van een lidstaat woonachtige persoon in het kader van een strafprocedure in een andere lidstaat, waarvan deze persoon geen onderdaan is, wegens een onopzettelijk gepleegd strafbaar feit. Het beroep op deze bepaling faalt reeds omdat uit het Belgische vonnis van 20 oktober 2010 blijkt dat [verzoeker] is veroordeeld voor opzettelijk gepleegde strafbare feiten.
2.12
Het middel vervolgt met de klacht in
onderdeel VIdat de rechtbank ten onrechte de EEX-Verordening heeft toegepast omdat het in deze zaak de tenuitvoerlegging van een vonnis van de Belgische strafrechter betreft waarmee de zaak buiten het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening valt. Anders gezegd, de tenuitvoerlegging betreft volgens het onderdeel geen burgerlijke en handelszaak in de zin van art. 1 lid 1 EEX Pro-Vo. Ook deze klacht faalt. Terecht neemt het middel tot uitgangspunt dat het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening, met inbegrip van hoofdstuk III ten aanzien van de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, betrekking heeft op burgerlijke en handelszaken (art. 1 EEX Pro-Vo). Het middel gaat echter eraan voorbij dat de aard van het gerecht en de aard van de procedure waarvoor een burgerlijke en handelszaak zich afspeelt niet van belang is voor de toepasselijkheid van de EEX-Verordening. [15] Volgens de rechtspraak van het HvJEU vallen civielrechtelijke beslissingen van een strafrechter binnen het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening. [16] Dat geldt ook voor de onderhavige beslissing van de rechtbank Antwerpen, waarbij van belang is dat de uitvoerbaarverklaring door de voorzieningenrechter is beperkt tot ‘de civielrechtelijke veroordeling’ van [verzoeker] in het Belgische strafvonnis.
2.13
Ten slotte voert
onderdeel VIIaan dat zowel de aard als het rechtskarakter van de onderhavige rechtsmiddelprocedure zich verzet tegen een proceskostenveroordeling zoals door de rechtbank is uitgesproken in haar eindbeschikking. [17] Deze opvatting van het middel vindt geen steun in het recht. De onderhavige procedure is een verzoekschriftprocedure waarin een kostenveroordeling kan plaatsvinden op de voet van art. 289 Rv Pro. De EEX-Verordening verzet zich daartegen niet. [18] De klacht faalt mitsdien.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1, hierna afgekort als ‘EEX-Vo’.
2.De s.t. in cassatie, nr. 3.2, vermeldt dat tegen de civielrechtelijke veroordeling van het strafvonnis in België tevergeefs ‘verzet’ is gedaan, gevolgd door hoger beroep. De behandeling van dat hoger beroep is volgens de s.t. ‘laatstelijk verdaagd tot thans 20 januari 2014’.
3.De termijn voor het instellen van het rechtsmiddel van art. 44 EEX Pro-Vo (in Nederland: beroep in cassatie, zie Bijlage IV bij de EEX-Verordening) is de gewone krachtens art. 402 Rv Pro geldende termijn van drie maanden.
4.Zie HvJEU 13 oktober 2011, zaak C-139/10, ECLI:EU:C:2011:653, Jur. 2011, p. I-9511, NJ 2012/18, m.nt. M.V. Polak (Prism Investments/Van der Meer).
5.Zie in dit verband ook art. 40 lid 1 EEX Pro-Vo, waarin is bepaald dat de vereisten waaraan het verzoek tot uitvoerbaarverklaring moet voldoen, worden vastgesteld door het recht van de aangezochte lidstaat.
6.Wet van 2 juli 2003 tot uitvoering van de Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12), Stb. 2003, 290 (zoals nadien aangepast). De wijziging van de Uitvoeringswet in verband met de vanaf 10 januari 2015 toepasselijke Herschikking van de EEX-Verordening (Verordening nr. 1215/2012, PbEU 2012, L 351) is nog niet in werking getreden (Wet van 22 januari 2014, Stb. 2014, 40).
7.Vgl. HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0186, NJ 2010/670 (Masselink/DPS), rov. 3 en conclusie A-G Strikwerda, nr. 29; vgl. ook HvJEG 16 juni 1981, zaak 166/80, ECLI:EU:C:1981:137, Jur. 1981, p. 1593, NJ 1983/305, m.nt. JCS (Klomps/Michel), rov. 15 e.v. Zie ook Jan Kropholler/Jan von Hein, Europäisches Zivilprozessrecht, 2011, Vor Art. 33 EuGVO Pro, RndNr. 7 (p. 550).
8.De rechtbank hanteert nog de oude onder het EEX-Verdrag gangbare term ‘verzetprocedure’, terwijl onder de toepassing van de EEX-Verordening van ‘rechtsmiddelprocedure’ moet worden gesproken; zie art. 43 EEX Pro-Vo.
9.Wet van 28 maart 2008, Stb. 2008, 100 (Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer).
10.Kamerstukken II 2001/02, 28 263, nr. 3, p. 5.
11.Kamerstukken II 2001/02, 28 263, nr. 3, p. 4.
12.Vgl. (algemeen) A.I.M. van Mierlo, in: T&C Rv, art. 281 Rv Pro, aant. 2 onder c.
13.Zie punt 17 van de Considerans van de EEX-Verordening. Zie bijvoorbeeld ook HvJEG 14 december 2006, zaak C-283/05, ECLI:EU:C:2006:787, Jur. 2006, p. I-12041, NJ 2008/472, m.nt. P. Vlas (ASML/SEMIS), rov. 23.
14.Zie in dit verband HvJEU 13 oktober 2011, zaak C-139/10, Jur. 2011, p. I-9511, ECLI:EU:C:2011:653, NJ 2012/18, m.nt. M.V. Polak (Prism Investments/Van der Meer), rov. 30.
15.Zie Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, art. 1, aant. 4 (P. Vlas).
16.Zie ten aanzien van de voorloper van de EEX-Verordening, het EEX-Verdrag: HvJEG 21 april 1993, zaak C-172/91, ECLI:EU:C:1993:144, Jur. 1993, p. I-1963, NJ 1995/207 (Sonntag/Waidmann) en HvJEG 28 maart 2000, C-7/98, ECLI:EU:C:2000:164, zaak C-7/98, Jur. 2000, p. I-1935, NJ 2003/626 (Krombach/Bamberski).
17.De rechtbank heeft [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verweerder], ten bedrage van € 1.630,- (rov. 5.2).
18.Vgl. art. 50 EEX Pro-Vo waarin is bepaald dat de verzoeker die in de lidstaat van herkomst van de beslissing in aanmerking is gekomen voor gehele of gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten, ook in de lidstaat van tenuitvoerlegging in aanmerking komt voor de meest gunstige bijstand of voor de meest ruime vrijstelling die in het recht van de aangezochte lidstaat is vastgesteld.