Conclusie
“geen zin meer”zou hebben, volstrekt onjuist was en dat het voorzienbaar was dat potentiële aanvragers, zoals OTIB, daardoor van het indienen van een aanvraag zouden worden afgehouden (rov. 4.2). Dat was ook jegens Fabricom onrechtmatig, omdat het Agentschap SZW, door te kiezen voor publicatie op de website, kennelijk allen die bij de opstelling en indiening van aanvragen betrokken waren of bij de verlening van subsidie belang hadden, op de hoogte wilde stellen en Fabricom tot die doelgroep behoorde (rov. 4.3). Het verweer van de Staat dat er geen causaal verband is tussen de gelaakte mededeling en de door Fabricom gestelde schade, omdat de subsidieaanvraag evenmin vóór 1 november 2005 zou zijn ingediend indien niet zou zijn meegedeeld dat het subsidieloket was gesloten, heeft de rechtbank verworpen. Daartoe overwoog de rechtbank dat voldoende aannemelijk en onvoldoende weersproken is, dat de aanvraag vóór 1 november 2005 zou zijn ingediend indien bij OTIB en SBK bekend was geweest dat indiening tot 1 november 2005 nog zinvol was (rov. 4.4).
niethet gevolg hebben gehad dat OTIB (conform die mededelingen) van indiening van een subsidieaanvraag ten behoeve van Fabricom heeft afgezien (rov. 3.4). Volgens het hof is daarmee het causaal verband tussen de gewraakte mededeling en het mislopen van subsidie door Fabricom op losse schroeven komen te staan (rov. 3.5). Na te hebben gereleveerd dat bij besluit van 14 november 2005 negatief op de subsidieaanvraag is beslist (rov. 3.6) en dat bij besluit op bezwaar van 19 mei 2006 het primaire besluit wegens termijnoverschrijding bij de indiening van het bezwaar in stand is gelaten (rov. 3.7), heeft het hof voorts geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet kan worden beschouwd als een verwezenlijking van een gevaar dat door de onrechtmatige mededelingen van 28 oktober 2005 in het leven is geroepen en evenmin aan ander (onjuist) handelen van de Staat is toe te rekenen (rov. 3.8). Volgens het hof is het causaal verband tussen de mededeling(en) van de Staat van 28 oktober 2005 en de definitieve afwijzing van de subsidie door de Staat door het besluit op bezwaar verbroken (rov. 3.9).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel in rov. 3.3 dat de subsidie aan Fabricom ten goede komt en dat Fabricom derhalve als begunstigde en materiële aanvrager is aan te merken, alsmede tegen het oordeel in rov. 3.4 dat de Staat een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, namelijk de regel
“dat overheidsorganen zich in hun officiële aankondigingen van onjuiste mededelingen dienen te onthouden”en dat de schending van deze norm ook onrechtmatig jegens Fabricom is.
“dat overheidsorganen zich in hun officiële aankondigingen van onjuiste mededelingen dienen te onthouden”. Voorts is het hof ervan uitgegaan dat deze ongeschreven norm
“zich (richt) ter bescherming van allen tot wie de mededelingen zijn gericht”.
“officiële”) aankondiging waarin die mededelingen waren vervat, worden voorbijgegaan. Anders dan Fabricom in haar schriftelijke toelichting heeft doen betogen [8] , meen ik dat in dat verband ook aan art. 4:27 Awb Pro betekenis toekomt.
bekend te maken. Aan dat bericht ontleen ik de navolgende passage [9] :
toereikendebekendmaking in de zin van art. 3:42 Awb Pro had kunnen gelden. De Afdeling besliste anders, waarmee echter niet zozeer de inhoudelijke onjuistheid van de betrokken mededeling, als wel de ongegrondheid van de pretentie dat het bericht op de website (al dan niet in samenhang met de overige op 28 oktober 2007 ondernomen acties) een toereikende bekendmaking in de zin van art. 3:42 Awb Pro zou vormen, kwam vast te staan.
“dat overheidsorganen zich in hun officiële aankondigingen van onjuiste mededelingen dienen te onthouden”, zou overigens ten onrechte kunnen suggereren dat in de onderhavige zaak aan de orde was dat het Agentschap SZW (juiste) informatie over de sluiting van het subsidieloket had moeten verstrekken. Bij de gegeven stand van zaken, hierop neerkomende dat het besluit van de Staatssecretaris nog niet op de door art. 3:42 Awb Pro voorgeschreven wijze was bekendgemaakt, nu het op de website van het Agentschap SZW geplaatste bericht niet als een toereikende bekendmaking kon gelden, zou een op de website van het Agentschap SZW geplaatste mededeling dat de Staatssecretaris op 27 oktober 2005 een subsidieplafond had vastgesteld, dat dit besluit nog in de Staatscourant moest worden gepubliceerd en dat het tot die publicatie nog zin had om aanvragen in te dienen, weliswaar juist zijn geweest, maar zou zij nimmer zijn gedaan. Met het bericht op de website werd immers slechts een onmiddellijke sluiting van het subsidieloket beoogd en juist niet een aansporing van potentiële aanvragers om op de valreep nog nieuwe aanvragen in te dienen. Alternatief voor de door het hof bedoelde onjuiste mededeling op de website was niet een juiste mededeling, maar het achterwege laten van iedere mededeling in afwachting van een naar de maatstaven van art. 3:42 Awb Pro toereikende bekendmaking van het besluit. De volgens het hof geschonden norm, wat daarvan overigens zij, laat zich naar mijn mening dan ook beter aldus formuleren dat overheidsorganen zich ervan dienen te onthouden te pretenderen dat een besluit in werking is getreden, zonder dat het betrokken besluit op toereikende wijze is bekendgemaakt.
“dan wel op een andere geschikte wijze”. Die kennisgeving had zich in het gegeven geval inderdaad tot een kennisgeving (zelfs bij brief) aan alle potentiële aanvragers kunnen beperken. Steun daarvoor biedt de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2007 [13] :
Kamerstukken II1988/89, 21 221, nr. 3, p. 78-83). De brief aan de Tweede Kamer voldoet niet, nu het informeren van de Kamer niet is gericht op bekendmaking aan een groter publiek. Ook het uitbrengen van een persbericht volstaat niet omdat daarbij niet vaststaat of, wanneer en waar dit zal worden gepubliceerd. Het verzenden van brieven aan potentiële aanvragers zou volgens de rechtbank wel geschikt kunnen zijn, maar slechts onder de voorwaarden dat iedere potentiële aanvrager wordt aangeschreven (wat in casu mogelijk was omdat potentiële aanvragers in de bijlagen bij de ESF-Regeling limitatief worden genoemd) én de brieven voor indiening van de aanvraag ter post zijn bezorgd. Dat kon de Staatssecretaris van SZW niet aantonen. (…)”
nietelektronisch geschiedt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald (hetgeen ook volgens de Afdeling hier niet het geval was). De Afdeling overwoog daarover:
nade bekendmaking daarvan zijn ingediend. Art. 4:27 lid 2 Awb Pro beperkt zich niet ertoe de inwerkingtreding van het betrokken besluit van de bekendmaking daarvan afhankelijk te stellen, maar sluit bovendien terugwerkende kracht van het besluit uit. Naar mijn mening speelt art. 4:27 lid 2 Awb Pro in de onderhavige zaak een cruciale rol. Zonder die bepaling zou het besluit van 27 oktober 2005 weliswaar op 28 oktober 2005 niet naar behoren zijn bekendgemaakt, maar zou dat gebrek door de publicatie van het besluit in de Staatscourant van 1 november 2005 (Stcrt. 2005, 212) zijn geheeld. Het besluit zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 1 november 2005 pretendeerde immers onverminderd de gelding van een subsidieplafond van nihil
“met ingang van 28 oktober 2005, 09.00 uur”en daarmee terugwerkende kracht tot de genoemde dag en het genoemde tijdstip. Art. 1 van Pro het in de Staatscourant gepubliceerde besluit luidde:
Artikel 1
aanvragerduidelijk is dat zijn aanvraag, ook al voldoet zij aan de gestelde voorwaarden, kan worden afgewezen [14] . Deze bijzondere regeling van de bekendmaking van een subsidieplafond en haar gevolgen, en meer in het bijzonder de uitsluiting van de gevolgen van die bekendmaking voor aanvragen die reeds voordien zijn ingediend, strekt onmiskenbaar ter bescherming van de
aanvrager.
“formele”aanvragers, maar ook
“begunstigden”en
“materiële”aanvragers van de subsidie zoals Fabricom heeft gerekend (zie rov. 3.4:
“(…) Nu Fabricom als materiële aanvrager van de subsidie was aan te merken, moet worden aangenomen dat de mededelingen die op de website van het Agentschap SZW waren geplaatst, ook tot haar waren gericht en niet alleen tot formele aanvragers als OTIB, zoals de Staat betoogt. (…)”; zie voorts rov. 3.3, laatste volzin:
“De subsidie zou echter ten goede (komen) aan Fabricom en zij is derhalve als begunstigde en materiële aanvrager van de subsidie aan te merken.”).
“de aanvrager van projectsubsidie”) als van het begrip “begunstigde” (
“degene aan wie krachtens deze regeling projectsubsidie is verleend”). Kennelijk is met begunstigde niet anders bedoeld dan de aanvrager wiens aanvraag is gehonoreerd, temeer nu volgens art. 2 slechts Pro subsidie wordt verleend
“aan de nader krachtens dit besluit aangewezen rechtspersonen die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het programma Europees Sociaal Fonds Doelstelling 3”. Volgens de regeling (art. 9 lid Pro 1) komen uitsluitend de kosten die door of op verzoek van de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt, die ten laste van de begunstigde zijn gebleven en die voor de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het project noodzakelijk moeten worden geacht, voor subsidiëring in aanmerking. Tot die kosten kunnen ook de kosten van door de begunstigde ingeschakelde uitvoerders behoren; zie onder meer art. 9 lid 2 onder Pro d en art. 14 lid Pro 1. Tegen deze achtergrond getuigt het naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting en is, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, in elk geval onbegrijpelijk waarom Fabricom, die kennelijk (één van) de beoogde uitvoerder(s) van het voor te stellen project was, als
“begunstigde”en
“materiële aanvrager”zou zijn aan te merken.
Staat/SFR), ECLI:NL:HR:2006:AU3253, NJ 2006/325 m.nt. M.R. Mok, de intrekking van een subsidie, niettegenstaande de bepaling van art. 6:163 BW Pro, jegens een niet belanghebbende onrechtmatig heeft geacht. Voor dit oordeel volstond niet dat de subsidie de betrokken partij op enigerlei wijze ten goede kwam. De Hoge Raad overwoog:
Staat/SFRaan de orde was, zou Fabricom niet als begunstigde van de subsidie hebben gegolden, zou de subsidie haar niet rechtstreeks zijn uitbetaald, heeft Fabricom over de subsidievoorwaarden en de toepassing daarvan geen rechtstreeks contact met het Agentschap SZW onderhouden, zijn de gewraakte mededelingen die aan de gestelde onrechtmatige daad ten grondslag liggen evenmin rechtstreeks aan Fabricom gedaan en maakte de Subsidieregeling ESF-3 het niet mogelijk Fabricom als geadresseerde van de subsidie aan te merken.
“formele aanvragers”. Bij de afzonderlijke subonderdelen teken ik volledigheidshalve nog het volgende aan.
Staat/SFRin aanmerking heeft genomen dat de Regeling ESF 1991 het mogelijk maakte SFR als geadresseerde van de beschikking aan te merken, die mogelijkheid in de Subsidieregeling ESF-3 ten aanzien van Fabricom ontbrak.
Gemeente Barneveld/Gasunie), ECLI:NL:HR:2007:AZ1598, NJ 2007/504 m.nt. M.R. Mok, waarin de Hoge Raad onder meer overwoog:
nietheeft gebaseerd op een
afgeleidbelang van Fabricom dat zozeer met de bescherming van aanvragers samenhangt dat het daaronder moet worden begrepen; volgens het hof moet Fabricom immers zelf als (materiële) aanvrager worden aangemerkt.
Gemeente Barneveld/Gasunieaan de orde was (art. 164 van Pro de bestemmingsplanvoorschriften) strekte weliswaar tot bescherming van omwonenden en gebruikers, maar ook het belang van Gasunie bij een ongestoorde exploitatie van de betrokken gasleiding was daarin uitdrukkelijk onderkend. Het derde lid van de genoemde bepaling, waaruit de door de gemeente veronachtzaamde plicht om Gasunie te consulteren voortvloeide, luidde immers [16] :
indien uit een daartoe ingewonnen advies van de desbetreffende leidingbeheerder blijkt, dat daartegen uit een oogpunt van exploitatie van de leiding geen overwegende bezwaren bestaan.” (cursivering toegevoegd; LK)
Staat/SFR, waaruit voortvloeit dat een afgeleid belang van een niet rechtstreeks belanghebbende in de zin van de Awb op zichzelf (zonder bijzondere omstandigheden zoals door de Hoge Raad in die zaak gereleveerd) niet volstaat om een besluit (in casu betrof dat de intrekking van een subsidie) ook jegens die niet rechtstreeks belanghebbende onrechtmatig te achten.
nietbekend zijn geweest dat indiening van aanvragen nog (slechts) tot 1 november 2005 (en niet langer) mogelijk was en dat er in die zin extra haast was geboden, hetgeen indiening van een desnoods incomplete en ongecontroleerde aanvraag rechtvaardigde. In zoverre is er, zonder nadere motivering, die ontbreekt, geen reden om aan te nemen OTIB en SBK in de bedoelde situatie (waarin de gewraakte mededelingen achterwege zouden zijn gebleven) anders zouden hebben gehandeld dan zij thans in werkelijkheid hebben gedaan. Zelfs nu OTIB en SBK veronderstelden dat het subsidieloket inmiddels was gesloten en zij nog slechts zekerheidshalve tot indiening van een subsidieaanvraag zijn overgegaan, hebben zij de betrokken aanvraag kennelijk niet onvolledig en ongecontroleerd maar eerst na ontvangst van de originele opdrachtbevestiging van de accountant van Fabricom willen indienen (rov. 3.5, onder j, tweede voorkomen). Ik acht het subonderdeel daarom gegrond.
nietover het feit dat het hof überhaupt in een beoordeling van de relevantie van de termijnoverschrijding voor het causaal verband tussen de gewraakte mededelingen en de door Fabricom gestelde schade was getreden) heeft Fabricom destijds in cassatie geklaagd. En dat deed zij met succes; (ook) de Hoge Raad achtte het door Fabricom bestreden oordeel (waarin kennelijk beslissende betekenis werd toegekend aan de “definitieve” afwijzing van de subsidie bij de beslissing op bezwaar)
“onbegrijpelijk gemotiveerd”, nu Fabricom zelf aan haar vordering ten grondslag had gelegd dat de op 3 november 2005 ingediende aanvraag op zichzelf terecht is afgewezen (rov. 3.5 van het arrest van 20 april 2012).
“wegens termijnoverschrijding”niet-ontvankelijk was (welke niet-ontvankelijkheid door de rechtbank Utrecht bij uitspraak van 19 december 2006 in stand is gelaten, omdat (ook) de rechtbank de termijnoverschrijding niet verschoonbaar oordeelde; zie rov. 1.7) en dat die afwijzende beslissing op het bezwaar in die zin
“niets van doen (heeft) met de mededelingen op 28 oktober 2005 of een al dan niet geldend subsidieplafond”. (…) Daarbij komt dat voor het alsnog (na de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2007) in behandeling nemen van een na de litigieuze mededelingen van 28 oktober 2005 ingediende aanvraag niet volstond dat deze tussen 28 oktober 2005 te 9.00 uur en 1 november 2005 was ingediend. Daartoe was
tevensvereist dat
“de aanvrager bezwaar had gemaakt tegen de afwijzing”(rov. 1.8 [17] ). Mogelijk heeft het hof voor ogen gehad dat, waar OTIB tegen de afwijzing van 14 november 2005 niet
tijdigbezwaar heeft gemaakt (en haar bezwaar om die reden - in beroep door de bestuursrechter bevestigd - niet-ontvankelijk werd verklaard), datzelfde moet worden aangenomen in het (bij de schadevaststelling te betrekken) hypothetische geval dat die afwijzing betrekking zou hebben gehad op een tussen 28 oktober 2005, 9.00 uur, en 1 november 2005 (tijdig) ingediende aanvraag [18] , en dat in dat hypothetische geval van een achteraf bezien tijdig ingediende aanvraag, om reden van het ontbreken van een (ontvankelijk) bezwaar tegen de afwijzingsbeslissing, uiteindelijk
evenmineen subsidie ten behoeve van Fabricom had kunnen worden toegekend [19] . Zou het hof met betrekking tot het causaal verband deze gedachtegang, wat daarvan overigens zij, daadwerkelijk hebben gevolgd, dan had het deze echter moeten expliciteren en nader moeten motiveren.”
“(h)et vereiste condicio sine qua non verband (…) niet aanwezig (is), indien de schade ook zou zijn ingetreden, indien de onrechtmatige gedraging wordt weggedacht”(memorie van grieven onder 58). Voorts heeft het hof ’s-Gravenhage reeds vóór verwijzing (in rov. 1.8) tot de vaststaande feiten gerekend dat
“(a)anvragen ingediend tussen 28 oktober 2005, 9.00 uur, en 1 november 2005, (…) alsnog in behandeling (zijn) genomen indien de aanvrager bezwaar had gemaakt tegen de afwijzing”, alsmede (in rov. 1.7) dat OTIB eerst (kort) na het verstrijken van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van de op 3 november 2005 aangevraagde subsidie, dat haar bezwaar deswege niet-ontvankelijk is verklaard door de Staatssecretaris en dat die niet-ontvankelijkverklaring vervolgens bij de bestuursrechter heeft standgehouden. Het verwijzingsarrest van de Hoge Raad noopte tot een nadere overweging van het oordeel dat de termijnoverschrijding het causaal verband tussen de gewraakte mededelingen en, kort gezegd, het mislopen van de subsidie doorbrak. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom het geding na verwijzing in het kader van de discussie over dat oordeel niet alsnog het argument toeliet dat causaal verband inderdaad ontbrak, echter niet zozeer in verband met het onherroepelijk worden van de afwijzing van de subsidie, als wel in verband met het door het hof ’s-Gravenhage reeds onderkende vereiste van een (tijdig) tegen de afwijzing gemaakt bezwaar als voorwaarde voor het alsnog toekennen van een voor 1 november 2005 aangevraagde subsidie. Dat argument viel binnen de door de Staat aangevoerde grondslag van zijn verweer dat de schade (afwijzing van de subsidie) ook zou zijn ingetreden indien de gewraakte mededelingen zouden worden weggedacht, en berustte voorts op de reeds voor verwijzing vaststaande feiten, waaronder het vereiste van een (tijdig) gemaakt bezwaar tegen de afwijzing van vóór 1 november 2005 ingediende aanvragen en het gegeven dat OTIB niet in staat is gebleken tijdig bezwaar te maken tegen de afwijzing van de aanvraag zoals zij die op 3 november 2005 had ingediend. Overigens is opmerkelijk dat het hof Amsterdam in rov. 3.9 in zoverre ook terecht van een nieuw
“argument”en niet van een aanvulling van de grondslag van het verweer van de Staat of van een nieuwe grief of nieuwe feiten heeft gesproken. Meer in het algemeen geldt dat binnen de grondslag van de eis of het verweer vallende en op de reeds vóór verwijzing vaststaande feiten gebaseerde “argumenten” ook eerst na verwijzing kunnen worden aangevoerd.
condicio sine qua nonverband. De veronderstelling dat OTIB, óók in het geval dat de afwijzing van de subsidie op een voor 1 november 2005 ingediende aanvraag zou zijn gevolgd, niet tijdig bezwaar tegen die afwijzing zou hebben gemaakt, overtreft in aannemelijkheid in elk geval ruimschoots de door het hof wél als voldoende vaststaand beschouwde hypothese dat de litigieuze aanvraag überhaupt vóór 1 november 2005 zou zijn ingediend als de gewraakte mededelingen achterwege waren gebleven.