Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
29 januari 2014inzake:
1.Overzicht
lawfulnessdoor de vaagheid van art. 2(2) Wet BvR, overwoog het Hof dat de reikwijdte van art. 2(2) Wet BvR effectief aan de belastingrechter kan worden voorgelegd, waarmee voldaan is aan de eis van
lawfulness.
lawfulness-vereiste van onder meer de EHRM-arresten
Sunday Timesen
Cantoni. Nu het om een anti-ontgaansheffing op economische eigendomsoverdracht gaat, die per definitie moet abstraheren van bekende civiel-juridische titels, en de belanghebbende een professioneel handelende onroerend-goedpartij is, moet zij het effect van die bepaling in haar geval hebben kunnen voorzien.
fair playbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel op de weg van de fiscus gelegen om, in plaats van de belanghebbende desverzocht relevante informatie te onthouden, haar minstens te doen blijken van een vergelijkbare procesrisico-afkoopbereidheid als jegens haar identieke medecontractant en haar uit te nodigen een afkoopaanbod te doen, zulks mede gezien de rechtsplicht om de aansprakelijk gestelde te voorzien van alle relevante informatie tot bestrijding van de aanslag waarvoor zij aansprakelijk gesteld is, en gezien het in casu ontbreken van de noodzaak tot geheimhouding.
fair playbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Diens uitspraak ware daarom te vernietigen en de zaak ware te verwijzen naar een ander Hof.
2.De feiten
3.De feitelijke instanties
lawfulness, van de aantasting van haar eigendom door de Staat. Het Hof heeft daaromtrent overwogen:
4.Het geding in cassatie
5.Middel II: verkrijging economische eigendom?
Protection of property
interferencein belanghebbendes
peaceful enjoymentvan haar
propertyin de zin van de geciteerde Protocolbepaling. Die inbreuk is echter voorzien bij democratisch tot stand gekomen en voldoende gepubliceerde wet, zodat zowel de aansprakelijkstellingsregels als de heffingsregels voldoende gelegitimeerd en toegankelijk zijn. De belanghebbende klaagt over ’s Hofs oordeel over de twee overige onderdelen van de ‘rechtsgeldigheid’ (
lawfulness) test: (i) voldoende precisie en (ii) voorzienbare toepassing.
lawfulnesseis van het EHRM. De burger moet juist – in het redelijke – zijn gedrag kunnen afstemmen op de wettekst zelve, de gepubliceerde toelichting en een (daarmee) consistente uitvoeringspraktijk. Het feit dat de belastingschuldige in de EHRM-zaak
Hentrich vs. France [12] de rechter kon adiëren, weerhield het EHRM er geenszins van om (de toepassing van) het benaderingsrecht (
droit de préemption) van de Franse fiscus onaanvaardbaar onvoorzienbaar te achten, zulks in strijd met het eigendomsgrondrecht. Uit de zaak
Serkov vs. Ukraine [13] blijkt zelfs dat de rechterlijke macht zelf de oorzaak kan zijn van een onder Art. 1 Eerste Pro protocol EVRM onaanvaardbare onvoorzienbaarheid van een regeling; in dat geval de kleine-ondernemersregeling in de omzetbelasting.
Sunday Times vs. UK: [15]
Cantoni vs. France: [16]
economischeeigendomsverkrijging gaat, de wetgever per definitie geen gebruik kon maken van het bekende
juridischebegrippenkader. De overdrachtsbelasting werd immers door professionals zoals [A] en de belanghebbende juist ontgaan door obligatoir alles over te dragen behalve de juridische eigendom. De wetgever was daardoor gedwongen nieuwe, buiten de civielrechtelijk gebaande paden liggende en daardoor in zekere mate vage termen te gebruiken. Hij was daarbij aanvankelijk nog te precies door overgang van het risico van tenietgaan als criterium te stellen, welk risico vervolgens door professionals zoals [A] en de belanghebbende prompt eveneens uit de overdracht weggecontracteerd werd. Daardoor was de wetgever min of meer gedwongen om uit te wijken naar een nog minder precieze term, nl. enig risico van waardeverandering, met uitzondering van een kaal recht op levering.
7.Middel III: de beginselen van behoorlijk bestuur
contra legem- toegepast wordt als de ongunstiger behandeling van een belastingplichtige in vergelijking met een andere, tot dezelfde groep behorende belastingplichtige voortkomt uit een oogmerk van begunstiging van de laatste. Er volgt ook uit dat een oogmerk van begunstiging zich niet voordoet als de gunstige behandeling berust op een fout of op het nog niet gecorrigeerd zijn van een onjuiste behandeling. [22]
beleid, met name het Bewindslieden-dienstauto-arrest [26] en het Vinkenslag-arrest, [27] leert dan ook dat onjuist beleid moet worden beëindigd in plaats van geprolifereerd. Pas wanneer onjuist beleid voortgezet wordt nadat de rechter op de onjuistheid ervan heeft gewezen, kan honorering van een beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen. [28]
[A]slaat. Dat de
belanghebbende(als aansprakelijk gestelde) wilde procederen, laat zich horen. Nu haar – anders dan [D] – niet het aanbod werd gedaan slechts voor 70% aangeslagen te worden, en haar ook vervolgens ook na haar aandringen opzettelijk de kennis onthouden werd dat een dergelijke
dealtot de mogelijkheden behoorde, had zij niets te verliezen. Uit niets blijkt dat de fiscus aan de belanghebbende enig compromisaanbod heeft gedaan, enige bereidheid heeft getoond de belanghebbende op haar uitdrukkelijke verzoek inzicht te geven in de mogelijkheden daartoe, of haar heeft uitgenodigd zelf met een compromisvoorstel te komen nadat hij de in dezelfde feitelijke en rechtspositie verkerende [D] een korting van 30% had toegezegd.
fair playbeginsel en het formele zorgvuldigheidsbeginsel. In casu heeft de fiscus jegens de ene partij bij een samenwerkingsovereenkomst – welke overeenkomst volgens de fiscus het belastbare feit oplevert – met een vergaand compromis ingestemd, maar de andere partij bij dezelfde overeenkomst – die zowel voor wat betreft de fiscaal relevante feiten als voor wat betreft tekst, doel en strekking van de toepasselijke belastingwetgeving in
exactdezelfde positie verkeerde – niet in de gelegenheid gesteld om ook een compromisaanbod te doen. Hij heeft, integendeel, die partij relevante informatie onthouden, hoewel (i) die partij hem expliciet om die informatie vroeg en er evident belang bij had en (ii) de Ontvanger door zelfbinding juist verplicht is (zie de beleidsregel geciteerd in 7.7) om een aansprakelijk gestelde zoals de belanghebbende de voor de bestrijding in rechte van de aanslag relevantie informatie te verstrekken. Ik meen dat deze handelwijze – tegenwerking van materieel gelijke behandeling en tegenwerking van kennisverkrijging over de vergaande korting die aan de rechtens en belasting-feitelijk identieke contractspartner is verleend hoewel de fiscus juist verplicht is de belanghebbende voor te lichten – in strijd komt met het
fair playbeginsel zoals dat in recente jurisprudentie van uw derde kamer wordt toegepast. [33] Ik wij voorts met name op rechtspraak van uw eerste kamer over de zorgvuldigheid en het
fair playdat de Ontvanger betaamt jegens door hem mogelijk aansprakelijk te stellen personen en dat noopt tot ‘open kaart’ spelen. [34] Voor wat betreft het niet desgevraagd verstrekken van de voor de bestrijding van de aanslag relevante informatie kan ook gewezen worden op het beginsel dat door beleidsregels (zoals die geciteerd in 7.7) gewekt vertrouwen gehonoreerd moet worden. Dat de fiscus een geheimhoudingsplicht heeft ter zake van de aangelegenheden van [D] doet mijns inziens weinig ter zake, mede gezien de omstandigheden dat (i) [D] die plicht niet heeft, maar de fiscus kennelijk ook [D] geheimhouding jegens de belanghebbende heeft opgelegd als voorwaarde voor het verlenen van 30% korting, en (ii) de belanghebbende en [D] reeds van elkaars aangelegenheden ter zake van het gezamenlijke project op de hoogte waren, nu zij immers gezamenlijk partij waren bij het contract dat het belastbare feit oplevert. De enige relevante informatie waarover de belanghebbende niet beschikte, was de mate van bereidheid van de fiscus tot afwijking van strikte toepassing van de belastingwet jegens haar medecontractant. Hoe dan ook – voor zover de geheimhoudingsplicht al een probleem zou zijn geweest – had de fiscus mijns inziens op grond van het
fair playbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel de belanghebbende hebben moeten meedelen bereid te zijn ook te haren aanzien procesrisico af te kopen en haar moeten uitnodigen om een aanbod tot procesrisico-afkoop te doen. Alsdan zou de fiscus niet in enig detail hebben hoeven treden over zijn reeds met belanghebbendes medecontractant gesloten overeenkomst.
fair playbeginsel schendt, nu vast staat dat zowel [D] als de fiscus die 30% korting juist zo lang mogelijk verborgen hebben gehouden voor de belanghebbende, en de fiscus zijn bereidheid tot procesrisico-afkoop niet kenbaar heeft gemaakt aan de belanghebbende, noch haar heeft uitgenodigd te dier zake net als haar contractspartner een aanbod te doen.
relevantepunten lijken [A] en [D] juist in een gelijke positie te hebben verkeerd. Voorts meen ik dat het Hof belanghebbendes beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur had moeten opvatten als mede omvattende een beroep op het
fair playbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
fair playbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel leidt het bovenstaande mijns inziens daarentegen reeds tot vernietiging en verwijzing. Daartoe concludeer ik dan ook.
fair playen/of het gelijkheidsbeginsel in deze zaak kan dus nauwelijks enige precedentwerking uitgaan, gezien deze wel zeer uitzonderlijke en beperkende feitelijke omstandigheden en deze wel zeer bijzondere en beperkende afbakening van de relevante belastingplichtigen.
fair playbeginsel, meen ik dat de zaak verwezen moet worden naar de feitenrechter om te doen onderzoeken:
primair) of er toch grond is om de belanghebbende als niet vergelijkbaar met [D] te beschouwen of om [D] als niet opzettelijk begunstigd te beschouwen (is die er niet, dan lijkt mij dat ook de belanghebbende 30% korting gegund moet worden: dat zij procedeerde, was alsdan immers niet omdat zij het procesrisico niet wilde afkopen, maar omdat zij voor wat betreft de afkoop van procesrisico gediscrimineerd werd) en
subsidiair) of de belanghebbende ingegaan zou zijn op een uitnodiging van de fiscus om een aanbod tot afkoop van procesrisico te doen en zo ja, wat er vermoedelijk uit die procesrisico-afkooponderhandelingen gekomen zou zijn als de belanghebbende daartoe was uitgenodigd na de
dealmet [D], zonder echter op de hoogte te zijn van de inhoud van die
deal.