Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Sprongcassatie
1.Overzicht
Welte, voor het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU). In die zaak oordeelde dat Hof dat de vrijheid van kapitaalverkeer in de weg staat aan een berekening van erfbelasting waarin de belastingvrije som bij vererving van binnenlands onroerend goed lager is wanneer de erflater en de verkrijger in een ander land woonden dan de belastingvrije som wanneer minstens één van hen ingezeten was geweest. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep daarom gegrond verklaard en de aanslag vernietigd.
Schumacker-jurisprudentie van het HvJ EU worden toegepast. Dat het HvJ EU dat niet deed in de zaak
Weltewordt verklaard doordat in Duitsland – anders dan in Nederland – een in Duitsland wonende erfgenaam, ook als Duitsland slechts een deel van de gehele nalatenschap in de heffing betrekt, aanspraak kan maken op de volledige echtgenotenvrijstelling.
Arens-Sikken(HR BNB 2009/209) oordeelde u dat de vrijstellingen van het recht van successie niet toegepast hoeven te worden voor het recht van overgang: u koos voor de bepaling van het successierecht dat in een overigens gelijk binnenlandgeval geheven zou zijn voor de ‘binnenlandse-boedelmethode’ zonder vrijstellingen. Nadien is die niet-toekenning van vrijstellingen in het recht van overgang nogmaals aan u voorgelegd in HR V-N 2012/54.1.8; u verwierp het cassatieberoep van de belanghebbende met toepassing van art. 81 RO Pro. In verband met het nadien, eind 2013, gewezen HvJ EU-arrest in de zaak
Weltewordt de kwestie thans opnieuw aan u voorgelegd.
Weltebetrof de Duitse erfbelastingvrije som voor echtgenoten ad € 500.000 die slechts beschikbaar was als de erflater, de verkrijger of beiden ten tijde van het overlijden in Duitsland woonden (in welk geval de erfgenamen daartegenover echter onbeperkt belastingplichtig waren, dus niet alleen voor situszaken). Het HvJ EU achtte dit een niet-gerechtvaardigde beperking van het kapitaalverkeer. Hij verwierp het op zijn
Schumacker-jurisprudentie gebaseerde verweer dat Welte’s geval van beperkte belastingplicht objectief verschilde van het binnenlandgeval met onbeperkte belastingplicht. Uit de zaak
Welteblijkt dat het enkele verschil tussen beperkte en onbeperkte belastingplicht geen grond is om vrijstelling te weigeren. Omdat de ratio van de echtgenotenvrijstelling niet samenhing met de woonplaats van de verkrijger, maar met de verwantschap tussen verkrijger en erflater, achtte het Hof zijn
Schumacker-doctrine (geen belastingvrije sommen voor niet-inwoners, want die moeten door de woonstaat verleend worden) niet van toepassing.
Welte: "verzekeren dat een deel van het gezins-vermogen door de vermindering van het totale bedrag van de nalatenschap wordt vrijgesteld.") Die criteria staan los van (niet-)ingezetenschap. Bezien vanuit die criteria bevinden erfgenamen van niet-ingezetenen zich volgens het HvJEU in een vergelijkbare positie als erfgenamen van ingezetenen, zodat de
Schumacker-leer niet geldt.
Welteniet begrijpelijk in het licht van zijn
Schumacker/De Groot-jurisprudentie voor de inkomstenbelasting, maar aangezien ik die jurisprudentie onjuist en in strijd met EU-recht acht, juich ik toe dat het Hof er afstand van neemt voor de erfbelasting, al is het met een moeilijk te volgen en mij niet overtuigende redengeving die onverenigbaar met de
Schumacker-leer lijkt. Er zijn immers vele wél overtuigende redenen om de discriminerende
Schumacker-leer ten grave te dragen. Hopelijk neemt het HvJ EU ook voor de inkomstenbelasting nog eens afscheid van
Schumackeren
De Groot. Voor de erfbelasting wordt thans wél het correcte resultaat (nationale behandeling van de grensoverschrijdende situatie) bereikt, en wel door fractionele (evenredige) belastingheffing van beperkt belastingplichtigen: aan de belanghebbende moet mijns inziens 78% toegekend worden van de partnervrijstelling die berekend zou zijn in een overigens gelijk geval waarin de erflater inwoner was. Na het arrest
Welteis mijns inziens niet meer toegestaan de andere methode voor de bepaling van het belastingbedrag dat in een intern geval geheven zou zijn (de binnenlandse-boedelmethode zonder vrijstellingen), zoals door u toegepast in HR BNB 2009/209. Maar de methode kan in casu in het midden blijven, nu kennelijk niet in geschil is dat de waarde van belanghebbendes belastbare verkrijging lager is dan 78% van de vrijstelling die in een overigens gelijk binnenlandgeval toegekend zou zijn.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
Weltevoor het HvJ EU. De Rechtbank heeft haar beroep gegrond verklaard en de aanslag vernietigd op grond van de volgende overwegingen:
3.Het geding in cassatie
Schumacker [4] en
Renneberg [5] ). In casu is de nalatenschap niet nagenoeg geheel in Nederland belast en in Duitsland is al rekening gehouden met belanghebbendes persoonlijke omstandigheden. In de zaak
Welte [6] is de
Schumacker-rechtspraak alleen maar niet toegepast omdat Duitsland de echtgenoten-vrijstelling niet laat afhangen van de omvang van het heffingsobject: een in Duitsland wonende erfgenaam/partner heeft ook aanspraak op de volle echtgenotenvrijstelling als Duitsland slechts een deel van de nalatenschap belast. Als een in Duitsland ingezeten verkrijger/partner erft van een niet-ingezeten erflater, wordt slechts een deel van de nalatenschap, nl. alleen het deel van die verkrijger/partner, in Duitsland belast; niettemin heeft de verkrijger recht op de volle partnervrijstelling. Omdat de echtgenotenvrijstelling aldus aan de erfgenaam/partner als zodanig wordt toegekend ongeacht de omvang van het heffingsobject, kwam het HvJ EU in de zaak
Weltetot de conclusie dat Duitsland discrimineerde door een niet-ingezeten erfgenaam/partner geen echtgenotenvrijstelling te gunnen bij erven van een niet-ingezeten erflater. In casu geldt echter de
Schumacker-doctrine. (Niet-)ingezetenen worden immers in de erfbelasting op een vergelijkbare wijze belast als in de inkomstenbelasting en de voormalige vermogensbelasting. De erfbelasting is gebaseerd op het draagkrachtbeginsel en de partnervrijstelling is een faciliteit die louter verband houdt met de persoons- en gezinssituatie van een belastingplichtige. De Hoge Raad hoeft niet terug te komen van HR BNB 2009/209 [7] en HR V-N 2012/54.1.8. [8] A-G Wattel merkt in zijn conclusie voor HR BNB 2009/209 op dat het HvJ EU kennelijk ook tevreden is met een andere dan nationale behandeling, namelijk met een behandeling als in een binnenlandsituatie waarin zowel het niet-situsdeel van de nalatenschap als de vrijstellingen veronachtzaamd worden.
Welteen mijn zaak. De beslissingen van de rechtbank Breda van 24 december 2010, [9] van het Hof Den Bosch van 2 september 2011 [10] en van de Hoge Raad van 22 juli 2012 [11] zijn door de zaak HvJ EU
Welteachterhaald. Onderscheid tussen ingezeten en niet-ingezeten erfgenamen bij vrijstelling van belastingheffing ter zake van bepaalde nalatenschapsbestanddelen op grond van de ligging in een staat (situsheffing) is niet gerechtvaardigd. De
Schumacker-doctrine is niet van toepassing. De partnervrijstelling mag niet aan de belanghebbende worden onthouden.
4.Het recht van overgang
de belastingplichtigeniet in Nederland woont (art. 2.1(1)(a) Wet IB) of daar niet gevestigd is (art. 3(1) Wet Vpb). Voor het onderscheid tussen ‘binnenlandse belastingplicht’ (het recht van successie) en ‘buitenlandse belastingplicht’ (het recht van overgang) in de Successiewet daarentegen is niet van belang waar de belastingplichtige (de verkrijger: art. 36 Sw Pro) woont, maar uitsluitend dat de erflater (indien Nederlander: langer dan tien jaar) buiten Nederland woonde.
5.De partnervrijstelling in de Successiewet
6.Het recht van overgang en het vrije kapitaalverkeer in de EU
Erven Barbier [28] betrof een Nederlander die in 1970 naar België was verhuisd en aldaar in 1993 (meer dan tien jaar later) overleed. Hij had de economische eigendom van in Nederland gelegen vastgoed overgedragen aan door hem beheerste vennootschappen, zodat op hem de verplichting rustte dat vastgoed goederenrechtelijk te leveren aan die vennootschappen. Naar intern recht behoorde die leveringsverplichting niet tot de binnenlandse schulden, zodat het recht van overgang werd geheven over de volle waarde van de onroerende zaak, hoewel bij heffing van successierecht de negatieve waarde van die verplichting wél in aanmerking zou zijn genomen. De erven Barbier wensten op grond van EU-recht de waarde van de leveringsverplichting op hun verkrijging in mindering te brengen. In antwoord op prejudiciële vragen van het Hof Den Bosch constateerde het HvJ EU een beperking van het vrije kapitaalverkeer. De Nederlandse regering wees erop dat de leveringsverplichting een persoonlijke verplichting is; niet een met de onroerende zaak verbonden zakelijke schuld (r.o. 31). Volgens haar was geen sprake van een verschil in behandeling van vergelijkbare situaties, omdat het in het internationaal belastingrecht gebruikelijk is dat de bevoegdheid betreffende zakelijke verplichtingen toekomt aan de staat waar de zaak is gelegen, terwijl persoonlijke verplichtingen, zoals de in het hoofdgeding bedoelde leveringsverplichting, door de woonstaat in aanmerking moet worden genomen. Het HvJ EU verwierp dit betoog:
Arens-Sikken [30] betrof een erflater die Nederland meer dan tien jaar eerder metterwoon had verlaten; ten tijde van zijn overlijden woonde hij in Italië. Zijn nalatenschap kwam in gelijke delen toe aan zijn echtgenote en zijn vier kinderen. Tot zijn nalatenschap behoorde de helft (ad ƒ 475.000) van een in Nederland gelegen onroerende zaak die tot zijn overlijden tot de huwelijksgemeenschap had behoord. Bij testamentaire ouderlijke boedelverdeling waren alle activa en passiva aan zijn echtgenote toegedeeld onder de verplichting wegens overbedeling aan de kinderen de waarde van hun erfdelen in contanten uit te keren. Zijn echtgenote werd in het recht van overgang aangeslagen naar een verkrijging ad ƒ 475.000. Naar intern recht kwamen de overbedelingsschulden niet in mindering op de heffingsgrondslag voor het recht van overgang. Zou de erflater in Nederland hebben gewoond, dan waren de overbedelingsschulden wél in mindering gekomen op de heffingsgrondslag voor het recht van successie. Daar zou dan wel tegenover hebben staan dat de corresponderende onderbedelingsvorderingen en alle overige tot de nalatenschap behorende activa en passiva eveneens in aanmerking zouden zijn genomen. Het HvJ EU begreep uw prejudiciële vragen dienaangaande als volgt:
Arens-Sikkenheeft u voor de binnenlandse-boedelmethode gekozen en heeft u uitdrukkelijk geen rekening gehouden met de vrijstellingen die gelden in het successierecht, noch met de omvang van de totale boedel:
BNB-noot:
DeSchumacker-rechtspraak: ingezetenen en niet-ingezetenen zijn volgens het HvJ EU niet objectief in dezelfde positie
Schumacker-leer hoeft de werkstaat in beginsel geen persoonlijke tegemoetkomingen te verlenen. Die verplichting rust volgens het HvJ EU volledig op de woonstaat. De woonstaat moet inwoners (de waarde van) 100% van zijn tegemoetkomingen toekennen, ook al belast hij maar een zeer beperkt deel van het totale inkomen omdat hij internationale dubbele belasting voorkomt door voorrang te geven aan de bronstaat. [40] Niet-inwoners worden (bij de heffing van inkomstenbelasting) voor persoonlijke tegemoetkomingen in beginsel verwezen naar de staat waarvan zij ingezetenen zijn, óók indien die staat geen dergelijke tegemoetkomingen kent of die wel kent, maar deze in het niet vallen bij de tegemoetkomingen van de bronstaat die zij deelachtig zouden zijn geworden als het HvJ EU wél nationale behandeling door de bronstaat zou hebben geëist.
Schumacker-leer is aldus manifest in strijd met het vrije personenverkeer: aan niet-inwoners wordt immers nationale behandeling geweigerd; [41] dat leidt tot onwenselijke en onredelijke gevolgen. [42] Het is daarom op zichzelf verheugend dat het HvJ EU voor de erfbelasting anders redeneert en wél tot fractionele (grondslagomvangsevenredige) belasting van beperkt belastingplichtigen komt.
8.Schumacker (niet) in de erfbelastingen:de arresten Mattner en Welte
Mattner [43] betrof een schenking van in Duitsland gelegen onroerend goed. Bij schenking door of aan een Duits ingezetene gold een vrijstelling ad € 205.000, terwijl bij schenking tussen niet-ingezetenen slechts € 1.100 werd vrijgesteld. Het HvJ EU achtte dat een beperking van het kapitaalverkeer. Duitsland voerde als rechtvaardiging aan dat de situaties van ingezetenen en niet-ingezetenen objectief verschillen doordat bij schenking tussen niet-ingezetenen de begiftigde slechts beperkt belastingplichtig is in Duitsland, terwijl bij een schenking waarbij een ingezetene (als schenker of als begiftigde) is betrokken, de begiftigde onbeperkt belastingplichtig is. Volgens Duitsland is een dergelijke verschillende behandeling, gezien het arrest
Schumacker, geen discriminatie omdat het aan de lidstaat die onbeperkt onderwerpt (de woonstaat) is om de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige te beoordelen en in aanmerking te nemen. Het HvJ EU zag echter geen objectief verschillende situaties:
Welte [44] betrof een weduwnaar/enige erfgenaam, wiens vrouw in 2009 was overleden in Zwitserland, waar het echtpaar woonde. [45] Hij erfde een in Düsseldorf (Duitsland) gelegen perceel grond ad € 329.200 en banktegoeden bij Zwitserse banken (€ 169.508) en Duitse banken (€ 33.689). De Duitse fiscus hief € 41.450 aan erfbelasting van hem, berekend over een grondslag bestaande uit de waarde van het pand in Düsseldorf, verminderd met een vast bedrag ad € 10.300 voor de kosten van vererving en een belastingvrije som ad € 2000. Zou de erflaatster, de verkrijger of beiden ten tijde van het overlijden in Duitsland hebben gewoond, dan was niet slechts over het perceel, maar over de gehele verkrijging (in casu tevens de gehele nalatenschap) geheven, maar pas na aftrek van een belastingvrije som voor echtgenoten ad € 500.000. Het verschil met de zaak
Mattnerwas volgens het Finanzgericht Düsseldorf dat Welte niet alleen belaste grond, maar ook niet-belaste banktegoeden verkreeg, zodat bij Welte effectief slechts over een deel van de zich in Duitsland bevindende nalatenschap werd geheven. In de zaak
Mattnerdaarentegen bestond weliswaar in abstracto verschil in heffingsgrondslag tussen beperkte en onbeperkte belastingplicht, maar niet in Mattner’s concrete geval, wier verkrijging uitsluitend één onroerende zaak in Duitsland betrof. [46]
Schumacker: het is de woonstaat van de belastingplichtige die belastingvrije sommen en dergelijke moet toekennen. Ook zij wezen op het verschil met de heffingsgrondslag in
Mattner. Het HvJ EU verwierp dit betoog echter:
Arens-Sikkenvan doorslaggevend belang achtte) en niet uit slechts het Duitse situsgoed. Relevant acht hij slechts dat in beide gevallen de onroerende zaak naar dezelfde waarde en hetzelfde van verwantschap afhankelijke progressieve tarief aan erfbelasting wordt onderworpen. Het arrest
Weltelijkt daarmee onverenigbaar met de
Schumacker-leer die het HvJ EU volgt in zijn arresten over de inkomstenbelasting, die immers bij buitenlands belastingplichtigen evenzeer naar het voor inwoners en niet-inwoners op dezelfde wijze bepaalde broninkomen en naar hetzelfde tarief geheven wordt, waarbij evenzeer noch de bepaling van de omvang van dat broninkomen, noch het tarief “afhankelijk is van de woonplaats” van de betaler of de ontvanger van dat broninkomen. Het HvJ EU overweegt weliswaar in
Weltedat het enkele verschil tussen beperkte en onbeperkte belastingplicht geen grond is om geen vrijstelling toe te kennen:
Weltevan
Schumackerte onderscheiden (hangt het doel van de vrijstelling samen met (niet-)ingezetenschap van de belastingplichtige?), onderscheidt die twee zaken dus juist
nietvan elkaar. Ook in de inkomstenbelastingen heeft het doel van belastingvrije sommen en andere persoonlijke tegemoetkomingen niets te maken met woonplaats, maar – uiteraard – met de persoon, met name de (veronderstelde) draagkracht van de belastingplichtige.
H&I2010/7.10 het verschil in uitkomst tussen
Schumackeren
Mattnerals volgt te verklaren:
Comparison between taxpayers with unlimited liability and those with limited liability
Schumacker-leer, nu, zoals gezegd, in de inkomstenbelasting, waar het Hof wél vasthoudt [47] aan zijn
Schumacker-leer, de hoogte van de belastingvrije som evenmin afhangt van de hoogte van het inkomen, maar eveneens alleen van de hoedanigheid van (onbeperkt) belastingplichtige.
H&I2013/166 onder de uitspraak in de zaak
Welte:
Gillyen
De Groot: in die zaken heeft het Hof expliciet verklaard dat de bronstaat
niet(enig deel van) de vrijstellingen en persoonlijke tegemoetkomingen aan niet-inwoners hoeft toe te kennen die hij wél aan inwoners toekent [48] (tenzij zij in de bronstaat geheel of nagenoeg geheel hun totale inkomen verdienen).
Welteverwerpt het Hof ten slotte Duitsland’s beroep op dwingende reden van algemeen belang, met name de noodzaak om de samenhang binnen het Duitse belastingstelsel te bewaren en de doeltreffendheid van fiscale controles te verzekeren, zulks met verwijzing naar
Mattner, punt 54 (zie 8.2 hierboven).
Weltevoor de erfbelasting met ’s Hofs vaste
Schumacker/
De Groot-jurisprudentie voor de inkomstenbelasting, heeft u in december 2013 terecht in zaak C-14/14,
X v Staatssecretaris, [49] het HvJ EU prejudicieel de vraag voorgelegd of bij de vergelijking van de effectieve belastingdruk voor een niet-ingezetene (onderworpen aan dividendbelasting) met die voor een ingezetene (onderworpen aan box 3 van de inkomstenbelasting) ook het voor ingezetenen geldende heffingsvrije vermogen in box 3 in aanmerking moet worden genomen, en zo ja, in hoeverre.
Schumacker-jurisprudentie toch niet zo gelukkig is, lijkt het Hof die jurisprudentie thans te beperken tot de inkomstenbelasting. Bij de erfbelastingen is hij een andere koers gaan varen, terecht
nietaccepterende dat de situsstaat nationale behandeling van beperkt belastingplichtigen c.q. in grensoverschrijdende situaties weigert. Het is rechtspolitiek lastig om zichtbaar terug te komen op de helaas nogal expliciete arresten
Gillyen
De Groot, hetgeen de moeilijk te volgen en, naar boven bleek, inadequate en niet-overtuigende redenering van het Hof in de geciteerde erfbelastingzaken kan verklaren. Het resultaat van die moeizame en inadequate redenering is echter wel duidelijk én mijns inziens correct: zij leidt tot de verplichting van de situsstaat om nationale behandeling te verlenen, hoewel het Hof de bronstaat daartoe in
Schumackeren
De Grootnog
nietverplicht achtte voor de inkomstenbelasting. Hopelijk betekent deze erfbelastingrechtspraak dat op termijn de onjuiste
Schumacker-leer ook voor de inkomstenbelasting ten grave gedragen zal worden en niet-inwoners ook voor die belasting nationale behandeling deelachtig zal worden (hetgeen betekent: niet slechter dan fractionele belastingheffing: niet slechter dan bij toekenning van vrijstellingen en tegemoetkomingen naar rato van het deel van de totale grondslag dat door de situs/bronstaat belast wordt).
9.Toepassing op belanghebbendes zaak en beoordeling van het middel
Barbieren
Arens-Sikkenblijkt dat het zwaarder belasten van een nalatenschapsobject bij een niet-ingezeten erfgenaam dan bij een ingezeten erfgenaam een beperking van het vrije kapitaalverkeer is. Tussen belastingplichtigen die niet dezelfde vestigingsplaats hebben, kan onderscheid echter toegestaan zijn (art. 65(1)(a) VwEU) mits het geen willekeurige discriminatie of verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer oplevert (art. 65(3) VwEU). Beslissend is in casu of het onderscheid dat de Nederlandse wetgeving maakt, nl. naar woonplaats van de erflater, verklaard wordt door objectief verschillende situaties, of gerechtvaardigd wordt door dringende eisen van algemeen belang zoals fiscale coherentie of evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid.
Welte: rekening houden met een uit familieverhoudingen (verwantschap) voortkomende verwachting (behoud van een gelijkwaardige sociale positie) en met een verplichting tot voorziening in levensonderhoud (verzorgingsgedachte). Bij de Duitse vrijstelling in de zaak
Welteging het volgens het HvJ EU er "om te verzekeren dat een deel van het gezinsvermogen door de vermindering van het totale bedrag van de nalatenschap wordt vrijgesteld." Evenals de Duitse vrijstelling in
Welte, wordt de Nederlandse partnervrijstelling in het successierecht aan de verkrijger toegekend ongeacht diens woonplaats. Bezien vanuit de doelstelling van de partnervrijstelling (verzekeren dat een deel van het gezinsvermogen door de vermindering van het totale bedrag van de nalatenschap wordt vrijgesteld), bevinden erfgenamen van niet-ingezetenen zich dan volgens het HvJ EU in een vergelijkbare situatie als erfgenamen van ingezetenen, zodat volgens het HvJ EU zijn
Schumacker-leer niet van toepassing is. Al is ‘s Hofs redengeving mijns inziens, zoals boven bleek, niet goed te volgen (ook in de inkomstenbelasting hangt de omvang van de belastingvrije som niet af van de omvang van de belastinggrondslag), het doel en resultaat van die redengeving, nl. dat de discriminerende
Schumacker/De Groot-leer buiten toepassing blijkt, juich ik toe.
Mattneren
Weltedat van de in 6.11 beschreven methoden om te bepalen welk bedrag aan successierecht in de binnenlandsituatie geheven zou zijn over het verkrijgingsobject (het referentiebedrag), alleen de fractionele methode overblijft,
i.e.de methode waarin het successierecht wordt bepaald dat in geval van een binnenlandse erflater door de verkrijger(s) verschuldigd zou zijn geweest (dus over de gehele nalatenschap, althans de gehele verkrijging, na toepassing van vrijstellingen), waarvan vervolgens een evenredig deel – naar rato van de waarde – wordt toegerekend aan de verkrijging van de Nederlandse onroerende zaak. Van de verkrijger(s) van de niet-ingezeten erflater mag niet meer dan die fractie geheven worden. De tweede in 6.11 beschreven methode, de binnenlandse-boedelmethode, waarin wordt vergeleken met de (intern niet-bestaande) situatie waarin de erflater in Nederland zou wonen en alleen het binnenlandse deel van de boedel (het situsgoed) in het successierecht zou worden betrokken,
zonderrecht op vrijstellingen, is mijns inziens niet meer toegestaan na
Welte. Mét vrijstellingen is deze methode duidelijk nog wel toegestaan, maar dan gaat zij verder dan de Nederlandse grondwet toelaat, want alsdan zou de Nederlandse wet verder buiten toepassing worden gelaten dan waartoe EU-recht dwingt. EU-recht eist immers niet een betere dan nationale behandeling van beperkt belastingplichtigen: verder dan fractionele heffing hoeft de situsstaat niet te gaan.
Welterecht op de partnervrijstelling ex art. 32(1)(4º) Sw, en nu niet in geschil is dat de waarde van de door haar verkregen Nederlandse onroerende zaken zowel bij een 100%-toerekening als bij een 78%-toerekening van die vrijstelling aan die Nederlandse situszaken achter blijft bij het bedrag van die vrijstelling, is door haar hoe dan ook geen recht van overgang verschuldigd.