Conclusie
Bewijsoverwegingen feit 1, 2 en 3
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte was bedrijfsleider van een growshop en werd door het hof veroordeeld voor het medeplegen van de verkoop en het aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder administratie, getuigenverklaringen en vondsten van hennep en hennepstekken op verschillende locaties.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het bewijs onvoldoende is om te spreken van een bewuste en nauwe samenwerking die vereist is voor medeplegen. Hoewel verdachte een centrale positie had en de gedragingen aanvaardde of placht te aanvaarden, ontbrak het aan concrete aanwijzingen van directe betrokkenheid bij de verkoop op de dag van het feit.
De Hoge Raad vernietigt daarom de veroordeling voor de feiten van medeplegen betreffende de verkoop van twee kilogram hennep en het aanwezig hebben van hennep in een auto. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling binnen deze grenzen. Tevens wordt een overschrijding van de redelijke termijn geconstateerd, die bij de strafoplegging in aanmerking kan worden genomen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de veroordeling voor medeplegen van hennepverkoop en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.