ECLI:NL:PHR:2014:669

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
4 juli 2014
Zaaknummer
13/05851
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:674 BWArt. 7:685 BWArt. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 7:900 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen betaling ontbindingsvergoeding na overlijden werknemer vóór ontbindingsdatum

De zaak betreft een geschil tussen de erfgenamen van een overleden werknemer en diens voormalige werkgever over de betaling van een ontbindingsvergoeding. De arbeidsovereenkomst was ontbonden per 1 april 2010 met een vergoeding van €65.952 bruto, maar de werknemer overleed op 30 december 2009, vóór de ontbindingsdatum. De werkgever weigerde betaling aan de erfgenamen omdat de arbeidsovereenkomst door overlijden van rechtswege was geëindigd.

De Kantonrechter oordeelde aanvankelijk dat de werkgever tot betaling aan de erfgenamen gehouden was, maar het Hof vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen af. Het Hof motiveerde dat de ontbindingsvergoeding onlosmakelijk verbonden was met de ontbinding per 1 april 2010 en dat door het overlijden de arbeidsovereenkomst eerder was geëindigd, waardoor geen recht op vergoeding bestond.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en benadrukt het onherroepelijke karakter van de ontbindingsbeschikking. De Hoge Raad wijst op eerdere jurisprudentie dat een ontbindingsbeschikking rechtskracht behoudt, ook als de arbeidsovereenkomst vóór de ontbindingsdatum eindigt door andere oorzaken. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat erfgenamen geen aanspraak kunnen maken op de ontbindingsvergoeding in deze situatie.

Uitkomst: Erfgenamen hebben geen recht op ontbindingsvergoeding omdat arbeidsovereenkomst door overlijden eerder eindigde dan ontbindingsdatum.

Conclusie

13/05851
mr. J. Spier
Zitting 13 juni 2014 (bij vervroeging)
Conclusie inzake
De erfgenamen van [de erflater]: [eiseres 1] en [eiseres 2]
(hierna de erfgenamen of de erven)
tegen
Woningstichting Domijn
(hierna Domijn)

1.Feiten

1.1
In cassatie kan – voor zover (thans nog) van belang – worden uitgegaan van de volgende feiten. [1]
1.2
[de erflater], de vader van de erfgenamen (hierna: de erflater), is als werknemer in dienst geweest bij Domijn. In de loop van het jaar 2009 hebben erflater en Domijn, door tussenkomst van hun belangenbehartigers, overeenstemming bereikt over beëindiging van het dienstverband tegen 1 april 2010 met een ontbindingsvergoeding van € 65.952 bruto.
1.3
In verband met de (fictieve) opzegtermijn van 6 maanden diende de ontbindingsbeschikking uiterlijk 31 augustus 2009 door de Kantonrechter gegeven te worden. In dat kader is door Domijn vóór die datum een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (ex art. 7:685 BW Pro) bij de Kantonrechter ingediend. Op dit verzoek is bij verweerschrift gereageerd door (de advocaat van) erflater. De Kantonrechter heeft vervolgens bij beschikking van 31 augustus 2009 de arbeidsovereenkomst per 1 april 2010 ontbonden, aan erflater een vergoeding toegekend van € 65.952 bruto en Domijn veroordeeld tot betaling van dit bedrag “ten titel van suppletie op een eventuele uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten, danwel een elders te verdienen lager salaris”.
1.4
Op 30 december 2009 is erflater overleden.
1.5
De erfgenamen hebben “jegens Domijn” aanspraak gemaakt op betaling van de ontbindingsvergoeding. Domijn heeft geweigerd over te gaan tot betaling aan de erfgenamen omdat de arbeidsovereenkomst door het overlijden van erflater op 30 december 2009 van rechtswege (ex art. 7:674 lid 1 BW Pro) is geëindigd.
1.6
Domijn heeft wel, conform de toepasselijke CAO-bepalingen, aan de “nagelaten betrekkingen van erflater” een eenmalige uitkering gedaan van driemaal het brutoloon en de nog openstaande verlofuren van bruto € 1.080 aan hen betaald.

2.Procesverloop

2.1
De erfgenamen hebben Domijn op 29 december 2010 [2] gedagvaard voor de Kantonrechter Almelo (bij herstelexploit gewijzigd in Enschede) en gevorderd dat Domijn wordt veroordeeld tot betaling van € 65.952 bruto, primair op grond van de tussen partijen (erflater en Domijn) gesloten beëindigingsovereenkomst en subsidiair op grond van de door de Kantonrechter afgegeven ontbindingsbeschikking, een en ander met nevenvorderingen.
2.2.1
De Kantonrechter Enschede heeft bij vonnis van 20 september 2011, met wijziging van het petitum, [3] voor recht verklaard dat Domijn gehouden is tot betaling aan de erfgenamen van € 65.952 bruto, dat door de Kantonrechter in de ontbindingsbeschikking van 31 augustus 2009 aan erflater is toegewezen.
2.2.2
De Kantonrechter heeft zijn oordeel gebaseerd op vaste rechtspraak van Uw Raad, nader genoemd in rov. 4 vierde alinea. De Kantonrechter heeft er nog op gewezen dat – kort gezegd – vergoedingen in de praktijk niet steeds strekken tot compensatie van gederfd inkomen.
2.3
Domijn is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 20 september 2011. De erfgenamen hebben verweer gevoerd en hebben bij memorie van antwoord hun eis (voorwaardelijk) gewijzigd.
2.4
Het Hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en heeft de vorderingen van de erfgenamen afgewezen. Het Hof overwoog daartoe voor zover in cassatie van belang:
“4.5 Met de grieven 3 en 4 komt het hof toe aan een inhoudelijk oordeel over de vordering van de erfgenamen. Primair voeren zij als grondslag aan, dat sprake is (geweest) van een vaststellings- of beëindigingsovereenkomst, die is gesloten op of omstreeks 31 augustus 2009 tussen erflater en Domijn en waarin is vastgelegd dat Domijn een bedrag van € 65.952,- bruto is verschuldigd aan erflater. De erfgenamen zijn als rechtsopvolgers onder algemene titel gerechtigd om nakoming van die overeenkomst te vorderen. Domijn heeft hiertegen aangevoerd dat geen beëindigingsovereenkomst is gesloten dan wel dat de overeenstemming tussen partijen is uitgewerkt in de gevraagde ontbindingsbeschikking. Het hof oordeelt hierover als volgt.
4.6
In het midden kan hier blijven of sprake is van een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro dan wel een overeenkomst in de zin van artikel 6:213 lid 1 BW Pro; in beide gevallen worden partijen gebonden door hetgeen zij hebben afgesproken. Uit de brief en e-mailwisseling tussen de belangenbehartiger van erflater en de advocaat van Domijn, voorafgaand aan het verzoekschrift van Domijn tot ontbinding aan de kantonrechter, volgt genoegzaam dat Domijn en erflater het erover eens waren, dat de arbeidsovereenkomst beëindigd zou worden per 1 april 2010, tegen een vergoeding van bruto € 65.952,- en dat hiervoor de kantonrechter geadieerd zou worden. Deze afspraken zijn ook zo vastgelegd in de door Domijn opgestelde beëindigingsovereenkomst, die wel door Domijn maar niet door erflater is ondertekend. Dit laatste oordeelt het hof overigens niet van groot belang, omdat een overeenkomst ook mondeling tot stand kan zijn gekomen. Conform de afspraken tussen erflater en Domijn hebben beide genoemde partijen op 31 augustus 2009 de benodigde stukken (verzoekschrift en verweerschrift ex artikel 7:685 BW Pro) aan het kantongerecht gezonden. Uit de begeleidende brieven van 31 augustus 2009 volgt wederom genoegzaam, dat erflater en Domijn het oog hadden op ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2010 en dat zij gelet op hun overeenstemming hierover ook geen behoefte hadden aan een mondelinge behandeling. De kantonrechter heeft vervolgens diezelfde dag nog de gevraagde beschikking afgegeven.
4.7
Partijen verschillen van mening, zo verstaat het hof hun dispuut, over de uitleg die gegeven moet worden aan de (voorafgaande) overeenstemming die bereikt was tussen erflater en Domijn. De rechtsgevolgen van een overeenkomst worden in de eerste plaats bepaald door hetgeen partijen zijn overeengekomen; de vraag wát partijen zijn overeengekomen kan niet worden beantwoord enkel op grond van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst, doch steeds komt het aan - in het stelsel van art. 3:33 en Pro 3:35 BW - op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht.
4.8
Het hof volgt Domijn in haar stelling en uitleg, dat met het doorlopen van de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst de tussen erflater en Domijn overeengekomen afspraken over het einde van arbeidsovereenkomst (via de kantonrechter, per 1 april 2010 en tegen een vergoeding van bruto € 65.952,-) waren “uitgewerkt”. Anders gezegd: erflater en Domijn hebben hiermee uitvoering gegeven aan hun (mondelinge) beëindigingsovereenkomst en zij zijn in die zin hun afspraken ook nagekomen. Zowel erflater als Domijn werden overigens bijgestaan door ter zake deskundigen. Nakoming verlangen van de beëindingsovereenkomst is derhalve zinledig, omdat erflater en Domijn die overeenkomst al hébben nageleefd. Daarmee strandt de primaire grondslag van de vordering van de erfgenamen. Voorzover de erfgenamen met hun primaire vordering in het bijzonder het oog hebben op punt 4 van de vaststellingsovereenkomst als zelfstandige verplichting van Domijn, overweegt het hof dat deze betalingsverplichting (van de ontbindingsvergoeding), mede gelet op het verband met punt 3 van de overeenkomst (de ontbinding door de kantonrechter), betrekking heeft op beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2010.
4.9
De erfgenamen hebben als subsidiaire grondslag aan hun vordering ten grondslag gelegd, dat Domijn de door de kantonrechter gegeven ontbindingsbeschikking van 31 augustus 2009 moet naleven en dat de erfgenamen, als rechtsopvolgers onder algemene titel, aanspraak kunnen maken op het in de ontbindingsbeschikking toegewezen bedrag. Domijn heeft onder meer aangevoerd, dat de arbeidsovereenkomst door het overlijden van erflater op 30 december 2009 van rechtswege is geëindigd. Het hof oordeelt hierover als volgt.
4.1
Met de beschikking van de kantonrechter van 31 augustus 2009 zou de arbeidsovereenkomst tussen erflater en Domijn door ontbinding eindigen per 1 april 2010. Tot die datum duurde arbeidsovereenkomst nog voort en diende, bijvoorbeeld, Domijn ook het salaris van erflater te betalen. Vanaf 1 april 2010 zou erflater zijn recht op een WW-uitkering geldend kunnen maken (zie de brief van de belangenbehartiger van erflater van 28 augustus 2009 aan erflater). De door de kantonrechter toegewezen ontbindingsvergoeding is onlosmakelijk verbonden met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2010; dit volgt ook al uit het dictum van de ontbindingsbeschikking, namelijk “ten titel van suppletie op een eventuele uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten...”. Voorts blijkt dat ook (de belangenbehartigers van) erflater en Domijn zich bewust waren van de consequenties van deze keuze voor ontbinding en een ontbindingsvergoeding, getuige de briefwisseling van 21 en 23 september 2009 (producties 5-6 conclusie van antwoord): de ontbindingsvergoeding zou en diende betaald te worden op het moment van eindigen van de arbeidsovereenkomst, “derhalve per 1 april 2010”. Door het (onverwacht) overlijden van erflater op 30 december 2009 is echter de arbeidsovereenkomst van rechtswege (en eerder) geëindigd op de voet van artikel 7:674 lid 1 BW Pro. Door het eindigen van de arbeidsovereenkomst op 30 december 2009 kan er logischerwijze ook geen sprake meer zijn van ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2010 en kunnen de erfgenamen ook geen aanspraak maken op de ontbindingsvergoeding. Dat de beschikking van de kantonrechter tussen erflater en Domijn (inmiddels) gezag van gewijsde had gekregen, doet aan het voorgaande niets af. De grieven 3 en 4 slagen. De beslissing van de rechtbank van 20 september 2011 kan niet in stand blijven.
4.11
Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep slaat het hof nog acht op de niet prijsgegeven stellingen en weren van partijen. In de inleidende dagvaarding (sub 18) hebben de erfgenamen nog een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid als grondslag voor hun vordering. Zij stellen dat Domijn de plicht heeft om zich als goed werkgever te gedragen om de met hun overleden vader overeengekomen afspraken na te komen. Het hof oordeelt hierover als volgt. Onder 4.8 heeft het hof al geoordeeld dat Domijn de afspraken met erflater is nagekomen, namelijk door het ontbindingsverzoek in te dienen met de tussen partijen afgesproken inhoud. Per 1 april 2010 zou erflater dan recht hebben op de ontbindingsvergoeding (ter suppletie op een eventuele uitkering) en een WW-uitkering. Door het overlijden van erflater op 30 december 2009 kan en behoeft Domijn geen uitvoering meer te geven aan de beschikking van de kantonrechter. Zonder nadere toelichting die ontbreekt valt niet in te zien dat Domijn desondanks, als goed werkgever tegenover een overleden werknemer aan diens erfgenamen de ontbindingsvergoeding zou moeten betalen.”
2.5
De erfgenamen hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen ’s Hofs arrest. Domijn is niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. De erfgenamen hebben de zaak schriftelijk doen toelichten.

3.Wat heeft het Hof precies geoordeeld? En hoe daarover te denken?

3.1
Het lijkt goed om, alvorens over te gaan tot bespreking van de klachten, onder ogen te zien wat het Hof nauwkeurig heeft geoordeeld.
3.2
Mijns inziens zijn twee lezingen denkbaar:
a. het Hof heeft het dictum van de ontbindingsbeslissing uitgelegd. In ’s Hofs visie moet dat dictum zo worden begrepen dat in een situatie als de onderhavige geen ontbindingsvergoeding behoeft te worden betaald;
b. het Hof meent dat in de gegeven omstandigheden geen ontbindingsvergoeding behoeft te worden betaald. Het baseert dat oordeel niet (zo zeer) op een uitleg van het dictum van de ontbindingsbeslissing, maar op de arbeidsrechtelijke “logica”: op de datum waarop de arbeidsovereenkomst, ingevolge de ontbindingsbeslissing, ten einde zou komen, was deze al door het overlijden van de erflater ontbonden. Daarom is de aan de ontbinding gekoppelde vergoeding niet verschuldigd.
3.3
De onder 3.2 sub a weergegeven lezing sluit mijns inziens het best aan bij de bewoordingen én de gedachtegang van rov. 4.10 omdat:
* aansluiting wordt gezocht bij de formulering van het dictum van de ontbindingsbeschikking;
* de duidelijke wens van de Kantonrechter aan te knopen bij hetgeen partijen voor ogen stond: toekenning van een vergoeding voor het geval de arbeidsovereenkomst op 1 april 2010 nog zou bestaan. Ik formuleer dat wat pregnanter dan het Hof het doet, maar rov. 4.10, in haar geheel gelezen, kan m.i. moeilijk anders worden begrepen.
3.4.1
Het middel behelst geen klacht tegen de m.i. meest plausibele lezing van ’s Hofs arrest. Zowel uit onderdeel 1 als uit de s.t. blijkt duidelijk dat de erven inzetten op de bindende kracht van uitspraken waaraan het Hof voorbij zou hebben gezien. [4]
3.4.2
Onderdeel 1postuleert
onder c en dnog enkele klachten die
enigszinsinhaken op de hier besproken kwestie. Zij gaan er in de eerste plaats van uit dat de door het Hof in het dictum gelezen voorwaarde in ’s Hofs visie “rechtens in de gegeven situatie besloten lag”. Dat heeft het Hof evenwel niet geoordeeld. Het Hof heeft aangenomen dat de Kantonrechter tot uitdrukking heeft gebracht dat
in de gegeven omstandighedengeen sprake is van een betalingsverplichting. Dat oordeel stoelt niet op juridische premisses of inzichten, maar op een
uitlegvan het dictum. Die uitleg is van feitelijke aard; onbegrijpelijk is hij niet. Overigens denk ik wel – en datzelfde geldt ongetwijfeld ook voor mr. Van Staden ten Brink – dat het Hof heeft gezocht naar een weg om aan de onder 4 te bespreken rechtspraak van Uw Raad te ontsnappen.
3.4.3
Voorts wordt aangevoerd dat ’s Hofs motivering tekort zou schieten, naar ik begrijp vooral in het licht van hetgeen in de inleidende dagvaarding onder 5 werd betoogd. Ter plaatse voeren de erven aan dat in de vaststellingsovereenkomst niets is te vinden over “nadere voorwaarden”. Die stelling doet niet ter zake omdat ’s Hofs oordeel niet op de vaststellingsovereenkomst, maar op de uitleg van het dictum is gebaseerd. Het Hof wijst er terecht op dat een passage over suppletie voorkomt in de ontbindingsbeslissing. [5] Ten overvloede: dat partijen (mede) daarop ook het oog hebben gehad, ligt trouwens ook besloten in het (slechts pro forma bestreden) verzoekschrift aan de Kantonrechter waarin de vergoeding wordt gerelateerd aan de leeftijd van de erflater en de lengte van het dienstverband. [6]
3.4.4
Volledigheidshalve stip ik nog aan dat de weg via de uitleg van het dictum van de ontbindingsbeslissing door sommige auteurs als problematisch wordt afgeschilderd omdat het inlezen van een dergelijke voorwaarde in een ontbindingsbeschikking meebrengt dat iedere onvoorwaardelijke ontbindingsbeschikking dan een voorwaardelijke ontbindingsbeschikking wordt, namelijk een ontbinding voor zover de arbeidsovereenkomst nog bestaat. [7]
3.5
Het middel komt, in
onderdeel 2, op tegen ’s Hofs oordeel dat – kort gezegd – de overeenkomst tussen partijen door de ontbindingsbeslissing was uitgewerkt. Het belang van die klacht is hierin gelegen dat deze overeenkomst de primaire grondslag van de vordering is; zie hiervoor onder 2.1.
3.6.1
In rov. 4.8 motiveert het Hof waarom in zijn visie de beëindigingsovereenkomst was uitgewerkt. Tegen ’s Hofs redengeving behelst het onderdeel geen voldoende begrijpelijke motiveringsklacht. Wél wordt, klaarblijkelijk subsidiair, [8] een rechtsklacht in stelling gebracht, maar deze faalt m.i. omdat ’s Hofs oordeel in de gegeven omstandigheden niet onjuist is. Ware dat anders dan zou kennelijk de weinig voor de hand liggende situatie kunnen ontstaan dat zowel nakoming zou kunnen worden gevraagd van de overeenkomst als executie van de ontbindingsbeschikking. Bovendien berust het onderdeel m.i. op een misverstand. Het Hof bedoelt niet te zeggen, wat de s.t. het Hof in de schoenen probeert te schuiven, dat de overeenkomst is
vervallen; [9] slechts dat deze zelfstandige betekenis mist omdat er geen (thans relevant) verschil bestaat tussen hetgeen partijen zijn overeengekomen en het dictum van de ontbindingsbeschikking.
3.6.2
Met name aan dat laatste ziet het onderdeel voorbij. In ’s Hofs gedachtegang strookt de door de Kantonrechter in het dictum verwoorde beslissing als hiervoor weergeven onder 3.2 sub a geheel met hetgeen partijen voor ogen stond. Dat blijkt heel, of in elk geval voldoende, duidelijk uit de volgende passage in rov. 4.10:
“Voorts blijkt dat ook (de belangenbehartigers van) erflater en Domijn zich bewust waren van de consequenties van deze keuze voor ontbinding en een ontbindingsvergoeding, getuige de briefwisseling van 21 en 23 september 2009 (producties 5-6 conclusie van antwoord): de ontbindingsvergoeding zou en diende betaald te worden op het moment van eindigen van de arbeidsovereenkomst, “derhalve per 1 april 2010”.
3.7
Het onderdeel behelst geen (laat staan een voldoende duidelijke) klacht tegen ’s Hofs onder 3.6.2 vermelde oordeel. Anders dan het onderdeel onder c veronderstelt, is deze motivering niet gesteld in de sleutel van ’s Hofs uitwerkingsgedachte.
3.8
Op grond van dit een en ander is het middel tot mislukken gedoemd.
3.9.1
Is de door het Hof bereikte uitkomst bevredigend? Die vraag kan m.i. niet in algemene zin bevestigend of ontkennend worden beantwoord. [10] Op zichis niet goed in te zien waarom erven een - in casu niet onaanzienlijk - voordeel zouden kunnen en mogen toucheren als de erflater “voortijdig” (dat wil zeggen: vóór de datum waarop de arbeidsovereenkomst ingevolge de ontbindingsbeslissing eindigt) overlijdt. De ontbindingsvergoeding was immers niet voor hen, maar voor de inmiddels overledene bedoeld.
3.9.2
Gevalsvergelijking leert dat de door het Hof bereikte uitkomst tot enigszins willekeurige en in zoverre onbevredigende uitkomsten kan leiden. Het duidelijkst blijkt dat wanneer we naast elkaar plaatsen de situatie dat de erflater zijn laatste adem uitblies kort vóór middernacht, voorafgaand aan de dag waarop ingevolge de ontbindingsbeslissing de arbeidsovereenkomst ten einde zou komen, dan wel kort ná middernacht. In het eerste geval zouden de erven, uitgaande van ’s Hofs benadering, achter het net vissen, terwijl in het laatste scenario een al dan niet beperkte zilvervloot bij de erven zou binnenvaren.
3.10.1
Betekent hetgeen onder 3.9.2 werd geschetst dat de erven dus in beide scenario’s aanspraak op de ontbindingsvergoeding zouden moeten kunnen maken? Men kan daar redelijkerwijs verschillend over denken. Zoals zo vaak met het “gelijkheidsargument” zijn uiteenlopende oplossingen denkbaar: het weghalen van het voordeel in het ene geval of het toekennen daarvan in het andere.
3.10.2
Bezien vanuit strikt juridisch oogpunt lijkt mij duidelijk dat in het onder 3.9.2 geschetste “na middernacht”-scenario aanspraak op de litigieuze vergoeding bestaat. Ook wanneer de strekking van de ontbindingsvergoeding was om te dienen als vergoeding voor de overledene wegens verminderde kansen op de arbeidsmarkt, het vooruitzicht op minder loon en zo meer. In theorie zou men dan kunnen gaan millimeteren al naargelang het tijdstip waarop de erflater overlijdt en daarmee de periode dat hij zelf nog heeft kunnen “profiteren” van de vergoeding. Maar dat zou een heilloze weg zijn, al was het maar omdat het de weg opent voor onwenselijke en onsmakelijke procedures over de mate van het al genoten profijt, wat eens te meer klemt ingeval in de ontbindingsvergoeding een immateriële component zit.
3.11
Billijk of niet: als Uw Raad het bestreden arrest eveneens zou lezen op de hiervoor onder 3.2 sub a vermelde wijze dan valt het doek voor de erven. De billijkheid gaat dan in rook op bij gebreke van nuttige cassatieklachten.
3.12
De geëerde steller van het middel zal mij allicht willen tegenwerpen dat hetgeen hiervoor werd betoogd haaks staat op de onder 4 nog kort te bespreken rechtspraak van Uw Raad. Zo’n betoog zou de erven evenwel niet kunnen baten om twee zelfstandige redenen:
a. het is de vraag of mijn betoog inderdaad haaks staat op die rechtspraak. De daarin beslechte kwesties waren, evenals onderdeel 1 van het middel, in een geheel andere sleutel gesteld;
b. de klachten gaan, vertrekkende van de door mij als meest plausibel aangemerkte lezing, langs ’s Hofs gedachtegang heen.

4.Bespreking van het middel

4.1
Voor het geval Uw Raad zou menen dat de klachten niet in het voorafgaande hun Waterloo vinden, sta ik nader bij vooral
onderdeel 1stil. Tot de kern teruggebracht komt dat erop neer dat het Hof het onherroepelijke karakter van de ontbindingsbeslissing heeft miskend. In dat verband wordt beroep gedaan op een aantal arresten van Uw Raad.
4.2
Over deze klacht kan ik betrekkelijk kort zijn. Zij slaagt, in essentie op de door het onderdeel aangevoerde gronden.
4.3
In een reeks arresten heeft Uw Raad gehamerd op het onherroepelijke karakter van de ontbindingsbeslissing waarmee de gedachte dat de daarin toegekende vergoeding onder omstandigheden toch niet verschuldigd zou zijn niet valt te verzoenen. Het gaat dan vooral om de volgende arresten.
4.4
In de eerste plaats het arrest SIDO/Rolf. [11] In die zaak was aan de orde of nog aanspraak kan worden gemaakt op de door de Kantonrechter toegekende ontbindingsvergoeding in de situatie waarin de arbeidsovereenkomst door de Kantonrechter wordt ontbonden, maar de arbeidsovereenkomst vóór de in de beschikking van de Kantonrechter genoemde datum wegens een andere oorzaak (ontslag op staande voet) eindigde. [12] In dat arrest werd het volgende overwogen:
“3.3 Onderdeel 2 — (...) — betoogt dat het Hof heeft miskend dat een beschikking waarbij op de voet van art. 1639w [13] een arbeidsovereenkomst met ingang van een bepaalde datum wordt ontbonden en tevens een vergoeding als in dat artikel bedoeld wordt toegekend, eerst rechtskracht heeft, althans eerst rechtsgevolg kan hebben, indien de arbeidsovereenkomst op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan dat waarop zij wordt ontbonden, bestaat; zo de overeenkomst op dat tijdstip niet bestaat, mist de ontbindingsbeschikking rechtskracht, althans rechtsgevolg, omdat in zodanig geval niet is voldaan aan de in die beschikking besloten liggende voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat. Aan dit een en ander doet, aldus het onderdeel, niet af hetgeen het Hof in zijn rov. 3 en 4 heeft overwogen. Ook kan een en ander niet worden beschouwd als het buiten het stelsel van rechtsmiddelen om, op grond van een naderhand opgekomen omstandigheid, de geldigheid van de ontbindingsbeschikking tot onderwerp van een nieuw geding maken en zo opnieuw doen toetsen, omdat het slechts gaat om de vraag of de ontbindingsbeschikking rechtskracht, althans rechtsgevolg heeft.
3.4
Dit betoog faalt. Het neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat aan een ontbindingsbeschikking als bedoeld in art. 1639w slechts rechtskracht, althans rechtsgevolg toekomt, indien de arbeidsovereenkomst op het in de beschikking bepaalde tijdstip van ontbinding nog steeds bestaat. Voorts miskent het onderdeel dat deze opvatting erop neerkomt dat aan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak zonder aanwending van enig rechtsmiddel rechtskracht zou kunnen worden ontzegd door in een volgend geding te doen vaststellen dat deze uitspraak geen rechtskracht heeft verkregen of dat de rechtskracht daaraan is ontvallen omdat de grondslag waarop de uitspraak berustte, is weggevallen. Deze opvatting is dan ook, naar het Hof terecht heeft aangenomen, onverenigbaar met het gesloten stelsel van de in de wet geregelde rechtsmiddelen.” [14]
4.5
Eerder oordeelde Uw Raad met betrekking tot een ontbindingsbeschikking ten aanzien van een arbeidsovereenkomst waarvan de nietigheid werd vastgesteld in een latere procedure: [15]
“3.2 Het middel faalt. De onherroepelijkheid van de beschikking van de Ktr. waarbij aan Geels ten laste van Jamin een vergoeding is toegekend, heeft tussen pp. tot gevolg dat hetgeen door Jamin ter voldoening aan die beschikking is betaald niet als onverschuldigd betaald aangemerkt en teruggevorderd kan worden, ook al zou de Ktr. ten onrechte van het bestaan van een geldige arbeidsovereenkomst zijn uitgegaan.
Het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen brengt mee dat een onjuiste rechterlijke uitspraak — afgezien van het zeldzame en hier niet aan de orde zijnde geval van het geheel ontbreken van rechtskracht — niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast en dat ook indien geen rechtsmiddel beschikbaar is, de uitspraak tussen pp. rechtskracht heeft. De door het middel voorgestane opvatting dat door het achteraf onjuist blijken van de grondslag waarop de uitspraak berustte daaraan de 'rechtsgrond' of 'causa' is ontvallen zodat de uitspraak pp. niet meer bindt, komt erop neer dat aan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak zonder aanwending van enig rechtsmiddel de kracht zou kunnen worden ontnomen door in een volgend geding te doen vaststellen dat de grondslag waarop de eerdere uitspraak berustte feitelijk of juridisch onjuist is. Die opvatting is onverenigbaar met bedoeld stelsel. Hierop stuiten ook de in het middel vervatte motiveringsklachten af.”
4.6
In het betrekkelijk recente arrest [A/B] [16] ging het om een situatie waarin de Kantonrechter de ontbinding van een arbeidsovereenkomst uitsprak op dezelfde dag dat de werkgever met toestemming van het UWV opzegde tegen een eerdere datum dan de ontbindingsdatum. De Hoge Raad overwoog:
“3.2. [A] is van de beschikking van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. In verband met de ontvankelijkheid heeft [A] in de eerste plaats gesteld dat de kantonrechter art. 7:685 BW Pro ten onrechte heeft toegepast omdat zij de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden tegen een datum (16 september 2009) waarop deze reeds was geëindigd door opzegging tegen 1 september 2009.
3.3.
Het hof heeft dit betoog verworpen op onder meer de volgende, zakelijk samengevatte, gronden. Op het tijdstip van de uitspraak van de ontbindingsbeschikking, 28 augustus 2009, bestond de arbeidsovereenkomst nog, zodat de kantonrechter door op dat tijdstip de ontbindingsverzoeken van partijen in te willigen geen arbeidsovereenkomst heeft ontbonden die niet meer bestond. Dat de arbeidsovereenkomst op de datum waartegen zij is ontbonden, 16 september 2009, reeds was geëindigd door een andere oorzaak, laat de geldigheid van de ontbinding onverlet en tast evenmin de geldigheid van de beschikking van de kantonrechter aan op het punt van de door haar toegekende ontbindingsvergoeding. De kantonrechter heeft dus art. 7:685 niet Pro ten onrechte toegepast, zodat er geen grond bestaat voor het doorbreken van het appelverbod, aldus het hof.
3.4.1.
Onderdeel a van het middel bestrijdt dit oordeel. Volgens het onderdeel is onjuist dat de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst op de datum waartegen zij is ontbonden, 16 september 2009, reeds was geëindigd door een andere oorzaak, de geldigheid van de ontbinding onverlet laat. In een dergelijk geval kunnen volgens het onderdeel de ontbinding en de bij de ontbindingsbeschikking toegekende vergoeding geen rechtsgevolg meer hebben en moet daarom hoger beroep tegen de ontbindingsbeschikking worden toegelaten en het oorspronkelijke ontbindingsverzoek door de appelrechter alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.4.2.
Uitgangspunt bij de beoordeling van het onderdeel is dat aan een ontbindingsbeschikking als bedoeld in art. 7:685 niet Pro slechts rechtskracht, althans rechtsgevolg toekomt, indien de arbeidsovereenkomst op het in de beschikking bepaalde tijdstip van ontbinding nog steeds bestaat, want dan zou aan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak zonder aanwending van enig rechtsmiddel rechtskracht kunnen worden ontzegd door in een volgend geding te doen vaststellen dat deze uitspraak geen rechtskracht heeft verkregen of dat de rechtskracht daaraan is ontvallen omdat de grondslag waarop de uitspraak berustte, is weggevallen. Dat is onverenigbaar met het gesloten stelsel van de in de wet geregelde rechtsmiddelen (vgl. HR 21 maart 1997, LJN ZC2308, NJ 1997/380).
Het onderdeel, dat dit uitgangspunt niet bestrijdt, beoogt echter door het openstellen van appel en cassatie een middel te scheppen om die rechtskracht aan de ontbindingsbeschikking te ontnemen omdat, naar het onderdeel moet worden begrepen, die beschikking geen effect meer behoort te kunnen sorteren nu zij inmiddels is ‘ingehaald’ door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst als gevolg van een opzegging door de werkgever die heeft plaatsgevonden na het uitspreken van de ontbindingsbeschikking.
Aldus rijst de vraag of dit betoog valt te verenigen met de uitsluiting in art. 7:685 van Pro die rechtsmiddelen.
3.4.3.
Die vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Art. 7:685 lid 11 sluit Pro hoger beroep en cassatie tegen een krachtens dat artikel gegeven beschikking uit.
De strekking hiervan is iedere discussie uit te sluiten over de wijze waarop de rechter van zijn aan dat artikel ontleende bevoegdheden heeft gebruik gemaakt.
Deze strekking kan echter niet rechtvaardigen dat ook een beslissing waarin aan het artikel toepassing wordt gegeven in een geval dat buiten het toepassingsgebied ervan ligt, aan hogere voorziening is onttrokken (vgl. HR 12 maart 1982, LJN AB8578, NJ 1983/181). Hetzelfde geldt ingeval de rechter op een op de voet van dit artikel gedaan verzoek ten onrechte beslist dat op het verzoek het artikel niet van toepassing is.
Naast deze gevallen waarin de rechter het toepassingsbereik van het artikel heeft miskend, staat slechts hoger beroep en cassatie open indien de rechter bij de behandeling van een op dit artikel gegrond verzoek een zo fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken.
Dat zich, zoals hier het geval is, na een rechterlijke uitspraak feiten of omstandigheden voordoen waardoor deze uitspraak geheel of gedeeltelijk geen effect meer kan sorteren ten aanzien van de rechtsbetrekking tussen de partijen die de uitspraak heeft willen regelen, is in vele gevallen mogelijk, maar is geen grond om het aanwenden van een rechtsmiddel tegen die uitspraak toe te staan dat is uitgesloten door de wettelijke bepaling die aan de beslissing in die uitspraak ten grondslag ligt. Onderdeel a faalt dan ook.”
4.7
In het licht van de hiervoor geciteerde arresten is m.i. niet aan redelijke twijfel onderhevig dat ’s Hofs oordeel, voor zover dat niet wordt geplaatst in de sleutel van de uitleg van het litigieuze dictum, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het kernargument van Uw Raad – de onherroepelijkheid van de ontbindingsbeslissing – geldt ook in casu. Voorts kan m.i. niet worden gezegd dat in de onderhavige situatie klemmender is dat wordt gemorreld aan de onherroepelijkheid van de ontbindingsbeslissing dan in de hiervoor genoemde zaken.
4.8
Bij deze stand van zaken lijkt niet nodig om lang stil te staan bij de tamelijk overvloedige literatuur. Ik volsta nog met een enkele kanttekening.
4.9
Een aantal auteurs meent, mede op basis van de hiervoor geciteerde rechtspraak, dat de ontbindingsbeschikking en de daarin toegekende vergoeding niet op losse schroeven komen te staan door het overlijden van de werknemer (ten gevolge waarvan de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:674 BW Pro eindigt) vóór de in de ontbindingsbeschikking genoemde datum. [17] Deze opvatting wordt intussen niet door alle auteurs aangehangen. [18]
4.1
Voor zover
onderdeel 1nog meer of andere klachten behelst, behoeven deze geen bespreking meer.
4.11
Ook
onderdeel 2behoeft geen verdere bespreking. Voor het geval Uw Raad eraan toe mocht komen, moge ik verwijzen naar hetgeen hiervoor onder 3.5 e.v. werd betoogd.

5.Afdoening

5.1
Onder 3 mocht ik aangeven dat en waarom er m.i. het meest voor te zeggen valt om het beroep te verwerpen. Ik hecht er evenwel aan om daarbij nog kort nader te verwijlen.
5.2
De onder 3 bepleite afdoening is sterk bepaald door cassatie-technische elementen, zo men wil cassatietechniek. Ik verstout me de vraag op te werpen of zo’n benadering in een setting als de onderhavige wenselijk is.
5.3 ’
s Hofs oplossing is niet in strijd met de rechtspraak van Uw Raad. Immers werd daarin steeds gerespondeerd op geheel andere klachten naar aanleiding van een eveneens andere benadering in het bestreden arrest. Aldus staat niet als een paal boven water dat Uw Raad ’s Hofs aanpak (categorisch) “onjuist” acht (onjuist in de gewone en niet in de cassatie-technische zin, wel te verstaan).
5.4.1
Ik mocht al aangeven dat er, bezien vanuit billijkheidsoptiek, geen zodanig klemmende argumenten zijn voor of tegen ’s Hofs oplossing dat deze als manifest onaanvaardbaar dan wel in het oog springend redelijk zou moeten worden gekenschetst. Bij die stand van zaken rijst de vraag of niet gezocht moet worden naar wegen om tot vernietiging te geraken. Immers ligt, geabstraheerd van de cassatietechniek, niet zonder meer voor de hand om een benadering als door het Hof gevolgd te sauveren nu zij leidt tot uitkomsten die afwijken van de door Uw Raad bereikte, terwijl niet gezegd kan worden dat ’s Hofs oordeel duidelijk bevredigender is dan de arresten van Uw Raad.
5.4.2
Bovendien zou het ook andere rechters een vrijbrief geven om de bijl te zetten aan de onder 4 besproken jurisprudentie van Uw Raad.
5.5
De gemakkelijkste weg om het onder 5.4 gesignaleerde probleem uit de wereld te helpen, is het ervoor te houden dat ’s Hofs oordeel
onbegrijpelijkis, of dat het niet is gebaseerd op uitleg van het dictum van de ontbindingsbeslissing.
5.6
Het kiezen voor de eerste onder 5.5 gesuggereerde oplossing vergt een machtswoord en het uitspreken daarvan een kleine kunstgreep. Het is m.i. een kunstgreep omdat ’s Hofs oordeel feitelijk en m.i. niet (echt) onbegrijpelijk is.
5.7
Iets gemakkelijker, maar zeker niet simpel, is het bewandelen van de tweede onder 5.5 gewezen weg. De meest voor de hand liggende, in feite ook door mr. Van Staden ten Brink bepleite, oplossing is dan aan te nemen dat aan ’s Hofs benadering een (impliciet) rechtsoordeel ten grondslag ligt. Ik mocht al aangeven dat dat m.i. niet het geval is (zie onder 3.4.2), maar daarover zou men anders kunnen denken.
5.8
Zeker niet zonder aarzeling volg ik het cassatie-technische spoor. Die weg voert tot verwerping, waartoe deze conclusie dan ook strekt. Maar ik heb voldoende argumenten aangedragen voor een tegengesteld oordeel.
5.9
Ter vermijding van mogelijk misverstand, wijs ik er met nadruk op dat de door mij voorgestane wijze van afdoening niet betekent dat ik afstand neem of bedoel te nemen van de onder 4 besproken rechtspraak van Uw Raad. Dat doe ik niet.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Zie het bestreden arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 23 juli 2013 rov. 3-4.1. Het Hof gaat uit van de feiten zoals vastgesteld door de Rechtbank Almelo (sector kanton, locatie Enschede) in rov. 2 van het vonnis van 20 september 2011.
2.Hetgeen in rov. 1 van het vonnis van 20 september 2011 staat, is niet juist.
3.Omdat de eerdere beschikking reeds een executoriale titel oplevert; zie p. 6 tweede volle alinea.
4.Zie met name ook s.t. onder 2.1.
5.Zie prod. 3 bij inleidende dagvaarding en hiervoor onder 1.3.
6.Zie het vonnis in prima p. 2.
7.E. Kohne, Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk 2014/3-99, p. 178; Kohne noemt op p. 179 nog dat met een voorwaardelijke ontbinding na ontslag op staande voet juist wordt beoogd een einde aan de onzekerheid te creëren. Heel klemmend acht ik dat argument niet; in de door het Hof gevolgde weg is van relevante onzekerheid m.i. geen sprake; zie voorts P.L.M. Schneider onder de thans in cassatie bestreden uitspraak in JIN 2013/170.
8.Zie s.t. onder 3.2 eerste volzin.
9.S.t. onder 3.2 in fine.
10.Als ik Schneider goed begrijp, dan ziet “twee derde van de voters” dit anders; zij menen dat billijk is dat de erven de vergoeding (kunnen) toucheren; zie onder het arrest a quo in JIN 2013/170 sub 7 i.f. Op welke “voters” wordt gedoeld, wat de vraag was en of de uitkomst wellicht mede kan worden verklaard door de aard van de praktijk van de “voters” (bijvoorbeeld advocaten die gemeenlijk optreden voor werknemers) is mij niet duidelijk. Ik heb de genoemd nogal vage bron niet kunnen traceren.
11.HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2308, NJ 1997/380.
12.Zie voorts de literatuur en jurisprudentie genoemd door W.C.M. Broersma en D.C.A. Pfennings, Overleden werknemer, ArbeidsRecht 2011/32 in de voetnoten 9 en 10, alsmede de literatuur genoemd door P.L.M. Schneider onder de thans in cassatie bestreden uitspraak in JIN 2013/170 sub 2.
13.Thans art. 7:685 BW Pro.
14.In zijn aan het arrest voorafgaande conclusie had mij geëerde ambtsvoorganger Vranken een genuanceerdere benadering bepleit:
15.HR 27 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0608, NJ 1989/588 WHH.
16.HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2312, NJ 2011/220, JAR 2011/112, m.nt C.G.M. Fruytier
17.SDU Commentaar Arbeidsrecht, art. 7:685 BW Pro (P.G. Vestering), aant. C.4.7 en C.6; W.C.M. Broersma en D.C.A. Pfennings, Overleden werknemer, ArbeidsRecht 2011/32; E. Kohne, De één zijn dood, de ander zijn brood? Over de vererving van de ontbindingsvergoeding, TAP 2014/3 p. 178; P.L.M. Schneider onder de thans in cassatie bestreden uitspraak in JIN 2013/170 sub 6 e.v.; P.R.W. Schaink, Enkele problemen rond de rechtskracht en de uitvoering van art. 7A:1639w beschikkingen, ArbeidsRecht 1995/13; K.E. Mollema, Einde dienstverband voor de ontbindingsdatum, Sociaal Recht 1996-7/8, p. 199 (hij vindt dat ook billijk). Veel voorzichtiger Van der Grinten (bewerkt door Bouwens en Duk), Arbeidsovereenkomstenrecht (2011), § 32.7; de kennelijke strekking van hun betoog is dat veel op de benadering van Uw Raad valt af te dingen, als ik het goed zie vooral op billijkheidsgronden..
18.Zie R.J. Voorink, Enkele kanttekeningen bij Kantongerecht Apeldoorn 6 september 1989 (Prg. 1989/3145), Prg. 1990, p. 64, zij het zonder relevante motivering en dezelfde, Einde dienstverband voor de ontbindingsdatum, Sociaal Recht 1996/10, p. 268 in verband met het karakter van de ontbindingsvergoeding; J. Herman de Groot en V. Disselkoen, De ontbinding(svergoeding) en het eerdere einde: het moet een keer uit zijn, in: R. Hansma (red.), De ontbinding van de arbeidsovereenkomst in tienvoud (Scholtens-bundel), Reeks VvA, nr. 35 2005, p. 92-93; zij zien een executiegeschil als de panacee en menen dat een rechtsgrond voor betaling ontbreekt.