Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
sollicitatieplichtde stelling van de bewindvoerder dat er onvoldoende bewijsstukken zijn overgelegd met name van sollicitaties is onbegrijpelijk, nu de bewindvoerder bij de mondelinge behandeling sollicitaties als producties heeft overgelegd en zijdens [verzoekster 1] onderbouwd met producties is gesteld dat zij aantoonbaar meer en voldoende heeft gesolliciteerd dan door de bewindvoerder gesteld (prod. 5 bij de brief van de advocaat van [verzoekers] van 4 maart 2014). Door de bewindvoerder zijn maar gedeeltelijk bewijzen hiervan overgelegd, wat een onjuist beeld geeft. De voorafgaand aan de zitting in hoger beroep overgelegde aanvullende sollicitaties hebben kennelijk geen indruk gemaakt. Verder heeft [verzoekster 1] cursussen gevolgd en hulp gezocht om beter en succesvoller te solliciteren, terwijl het op dit moment niet eenvoudig is om werk te vinden. Volgens de brief van een sociaal raadsman deden [verzoekers] er alles aan om aan de eisen te voldoen maar verliep de communicatie met de bewindvoerder vanaf het begin in 2010 al stroef, zodat door het hof niet zonder meer geoordeeld had mogen en kunnen worden dat de gebreken in de uitvoering van de schuldsaneringsregeling te wijten zijn aan [verzoekers] Ten aanzien van [verzoeker 2] is in hoger beroep toegelicht dat zijn sollicitaties minder goed zijn gedocumenteerd, maar dat het niet zo is dat hij niet voortdurend heeft gezocht naar meer uren bij zijn werkgever of elders en dit ook met de bewindvoerder is besproken. Hij had over 2013 wisselende inkomsten, wat is terug te voeren op een wisselend aantal werkuren. Omdat hij al een toezegging had voor een nieuw jaarcontract, heeft hij om zijn werkgever niet voor het hoofd te stoten niet gezocht naar een ander voltijdscontract, aldus het onderdeel. Ook dat is met de bewindvoerder gecommuniceerd, bedoeld arbeidscontract is pas op 24 april [6] getekend en zijn werkgever was niet bereid om verklaringen te tekenen “ook uit angst om hem in deze tijd in vaste dienst te krijgen”. [verzoeker 2] heeft dan ook voldaan aan zijn inspanningsverplichtingen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de psychosociale problematiek. [verzoeker 2] wordt begeleid door iemand van Reclassering Nederland en De Waag om te leren omgaan met de stress en frustraties die hij ervaart door de bittere armoede en uitzichtloze financiële situatie. Het onderdeel geeft aan dat [verzoeker 2] wel (te) weinig heeft gesolliciteerd, maar steeds betaald werk heeft verricht en dat hij niet in staat was om meer te doen.
boedelachterstanddeze wordt betwist, [verzoekers] hebben vanaf het moment dat de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard aanzienlijk meer afdragen dan de vastgestelde boedelbijdrage en de achterstand heeft alleen te maken met een betaling aan hen van € 6.773,- door de belastingdienst begin 2010. Ondanks het verzoek daartoe heeft de bewindvoerder het inkomen en het vermogen van [verzoekers] niet beschermd tegen schuldeisers zodat zij genoodzaakt waren om met de schuldeisers in onderhandeling te gaan en schulden te betalen, waardoor het onmogelijk was om de boedelbijdrage te voldoen. Van de meerafdracht zijn ook een aantal schulden betaald, waaronder een deel van de huurachterstand (zie het betaalbewijs, prod. 10 bij de brief van de advocaat van [verzoekers] van 4 maart 2014). De huurachterstand is zo van 3 november 2009 tot 22 augustus 2011 teruggelopen van € 2.085,- tot € 1.135,-. Voor zover er enige achterstand is, is dit dan ook te wijten aan de bewindvoerder zelf die weigerde haar taak uit te voeren met het argument dat toepassing van de schuldsaneringsregeling geen zin had als de schulden van [verzoekers] zouden terugvloeien als zij niet beiden een schone lei zouden krijgen. Pas in juni 2010 heeft de bewindvoerder actie ondernomen, maar uit de boedellijst volgt niet dat zij de ten onrechte betaalde bedragen heeft teruggevorderd. Voor zover er enig tekort zou zijn, dan kan het vrij te laten bedrag eventueel verhoogd worden nu de regeling meer dan drie jaar duurt.
Arbeids- en sollicitatieverplichting (tot 65 jaar)
volgens opgave van de bewindvoerder”de boedelachterstand nu € 4.974,83 bedraagt. Het hof heeft dat kunnen en mogen afleiden uit de door de bewindvoerder bij brief van 18 april 2014 aan het hof toegezonden opgave (prod. 2 bij die brief). Verder volgt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep (p. 2) dat de bewindvoerder heeft verklaard dat na een herberekening op basis van de door [verzoekers] op 5 februari 2014 overgelegde stukken de (geschatte) boedelachterstand uitkomt op dit bedrag [13] .
preambulevan het IVRK noopt tot de volgende overpeinzing. Volgens art. 31 lid 1 Weens Pro Verdragenverdrag moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag. Voor de uitlegging van een verdrag omvat de context, behalve de tekst, met inbegrip van preambule en bijlagen: a) iedere overeenstemming die betrekking heeft op het verdrag en die bij het sluiten van het verdrag tussen alle partijen is bereikt; b) iedere akte opgesteld door een of meer partijen bij het sluiten van het verdrag en door de andere partijen erkend als betrekking hebbende op het verdrag (art. 31 lid 2 Weens Pro Verdragenverdrag). Bij de uitleg van een bepaling van een verdrag zoals het IVRK kan de preambule behulpzaam zijn. Een overweging in een preambule kan evenwel niet als zelfstandige grondslag dienen. Niet de preambule, maar de verdragsbepalingen zelf zijn de in het verdrag neergelegde normen waar eventueel aanspraken aan kunnen worden ontleend. Voor zover het onderdeel rechtstreeks en zelfstandig beroep doet op preambulebepalingen faalt het in zoverre.
onderdeel 2tevergeefs voorgesteld.