Conclusie
Nadere conclusie van 21 februari 2014 inzake:
bis)
-fiscale-eenheid; omgekeerde discriminatie; EU-Handvest; Twaalfde Protocol EVRM; zaak aanhouden
Inleiding
Papillon-fiscale-eenheid (moeder en kleindochter voegen, (buitenlandse) tussenhoudster niet voegen). Ik concludeerde tot het stellen van nadere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in aanvulling op de vragen die het Gerechtshof Amsterdam [1] heeft gesteld in de bij het HvJ EU aanhangige gevoegde zaken C-39/13,
SCA Group Holding, C-40/13,
X. AG e.a.,en C-41/13,
MSA International Holdings. Mijns inziens zouden die vragen de volgende strekking moeten hebben:
Papillon-posterieure arrest
X Holding BVnog wel de conclusie toelaat dat de enige ongelijkheid in behandeling waarop de belanghebbende in casu kan wijzen (het ontbreken van de keuze om ook haar tussenhoudsters te voegen)
nietreeds door het Hof expliciet als gerechtvaardigd is aanvaard in
X Holding BV; en
X Holding BV, (ii) het zonder-onderscheid-karakter van de ononderbroken-ketenvoorwaarde, (iii) het Twaalfde protocol EVRM en de artt. 20 en 21 EU-Handvest, en (iv) het verder gaande en facultatieve karakter van het Nederlandse vereenzelvigingssysteem ten opzichte van het Franse integratiesysteem, het EU-recht Nederland niettemin verplicht om ofwel belanghebbendes geval fiscaal te privilegiëren door de algemene ononderbroken-ketenvoorwaarde voor haar geval te laten vallen, ofwel zijn nationale vereenzelvigingssysteem te verlaten.”
Åkerberg Fransson en het EU-Handvest
Åkerberg Fransson, [2] waarin hij als volgt overwoog over het toepassingsgebied van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie:
Van Schijndelen
Van Veen, [3] dat indien binnen het geschil geen onderzoek naar feiten nodig is, u verplicht bent het Europese recht van ambtswege toe te passen: u bent immers internrechtelijk bevoegd de rechtsgronden van ambtswege aan te vullen. Om die redenen heb ik de artt. 20 en 21 van het EU-Handvest in het geding gebracht, die als volgt luiden:
Artikel 52Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen
Rackebetrof ongelijkheid tussen valuta-omrekeningskoersen bij de heffing van douanerechten ter zake van Tokayer wijn; de zaak
EARLbetrof een op grond van controlebelang gerechtvaardigde ongelijke behandeling van nationale vennootschapsvormen bij overschrijding van melkquota, en de zaak
Karlssonbetrof de ‘gelijkheid van marktdeelnemers’ bij de toewijzing van melkquota. Het Hof overwoog in
Karlssondat de lidstaten bij de uitvoering van (secundaire) gemeenschapsregels gebonden zijn aan “fundamentele rechten in de communautaire rechtsorde”, dat daartoe behoren “het algemene gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel” en dat “het algemene gelijkheidsbeginsel (…) verlangt, dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.” De in de genoemde zaken aan de orde gestelde regelingen lijken mij qua technocratisch gehalte vergelijkbaar met intra-concernverrekening van fiscale verliezen en fiscale intra-concernuitsluiting van transacties. Het ging in de genoemde zaken in geen geval om onderscheid naar enig ‘verdacht’ (persoons)kenmerk zoals ras, geloof, sexe, leeftijd of politieke overtuiging, en het algemene gelijkheidsbeginsel blijkt bij de toepassing van secundair EU-recht ook te gelden voor ondernemingen en rechtspersonen. Juist gezien art. 20 Handvest Pro en
Åkerberg Fransson, zal het niet anders zijn bij de toepassing door de lidstaten of de EU-instellingen van
primairEU-recht, zoals de verkeersvrijheden, waarvan in casu de vestigingsvrijheid aan de orde is.
Papillon-arrest op de belanghebbende, welke toepassing leidt tot een door de betrokken lidstaat expliciet niet-gewenste fiscaal ongunstiger behandeling van overigens identieke interne situaties, verenigt met art. 20 Handvest Pro en het door hem ook vóór het Handvest reeds erkende algemene gelijkheidsbeginsel van Unierecht. Fiscale concurrentiegelijkheid dreigt immers verstoord te worden. Indien het
Papillon-arrest toegepast moet worden op de belanghebbende, valt fiscale discriminatie van overigens identieke interne situaties mijns inziens slechts te voorkomen door aan te nemen dat Nederland verplicht zou zijn om zijn ononderbroken-ketenvoorwaarde voor het aangaan van een fiscale eenheid ook te laten vallen voor interne situaties. Dat zou een opmerkelijk resultaat zijn, want dan zou de toepassing van maar liefst twee EU-rechtelijke
gelijkheidsvoorschriften (de vestigingsvrijheid en art. 20 Handvest Pro c.q. het algemene rechtsbeginsel) dwingen tot fiscale concurrentie
ongelijkheid, die vervolgens weer ongedaan gemaakt zou moeten worden door een algemene interne stelselwijziging in de betrokken lidstaat waarvoor die lidstaat juist expliciet
nietgekozen heeft op een terrein waarop hij soeverein is bij gebrek aan welke EU-harmonisatie- of coördinatiemaatregel dan ook.
Analyse van de omgekeerde discriminatie
door een lidstaatgaat, maar dat in casu een
door het HvJ EU(door het
Papillon-arrest) - dus door een EU-instelling - veroorzaakte omgekeerde discriminatie dreigt. Het gaat
nietom (i) omgekeerde discriminatie
door een lidstaatwaarop het EU-recht niet ziet (meestal interne situaties) of om (ii) een gunstiger concurrentiepositie van grensoverschrijders als consequentie van wederzijdse erkenning waartoe het vrije verkeer noopt.
door een lidstaatwaarop het EU-recht niet ziet, is de eenzijdige ongunstiger behandeling van eigen producten, onderdanen of producenten, zoals bijvoorbeeld in de zaak
Peureux [7] over de Franse
soulte, een heffing op gedestilleerd die alleen binnenlands gedestilleerd trof, of in de strafzaak tegen
Arthur Mathot, [8] een Belgische boterproducent die niet voldeed aan de wettelijke verplichting om naam en adres op de verpakking te vermelden, welke verplichting (en strafbedreiging) niet gold ter zake van uit andere EU-lidstaten ingevoerde boter. Tegen dergelijke omgekeerde discriminatie verzet het EU-recht zich niet. Zodra er voldoende aanknopingspunt met de interne markt is, verbiedt het Hof overigens ook dergelijke omgekeerde discriminatie (behalve bij misbruik van EU-recht). [9] Een fiscaal voorbeeld van omgekeerde discriminatie naar nationaliteit waarop het EU-recht niet ziet – zelfs niet ondanks een duidelijk grensoverschrijdend element – is de Nederlandse zaak
Van Hilten-Van der Heijden, [10] waarin Nederland geëmigreerde Nederlanders ongunstiger aansloeg in de erfbelasting dan geëmigreerde niet-Nederlanders: lidstaten mogen desgewenst onderdanen omvattender aan belasting onderwerpen dan niet-onderdanen. [11] Hetzelfde geldt ter zake van inwoners en niet-inwoners: [12] ook de beperkte buitenlandse belastingplicht van niet-inwoners kan fiscale discriminatie van inwoners opleveren (die immers belast worden voor hun wereldinkomen), met name ter zake van de progressie in het tarief van de inkomstenbelasting. [13] In belanghebbendes geval is echter geen sprake van dergelijke omgekeerde discriminatie
door een lidstaatvan eigen onderdanen, rechtspersonen of inwoners. Het gaat in belanghebbendes geval immers om een omgekeerde discriminatie (discriminatie van de interne situatie) die dreigt voort te vloeien uit het
Papillon-arrest van het HvJEU.
nochin Nederland,
nochin haar secundaire vestigingsstaten (de vestigingsstaten van haar tussenhoudsters) bestaat. Bovendien blijkt uit de
Kerckhaert-Morres-lijn van rechtspraak van het HvJ EU dat in directe-belastingzaken de EU-verkeersvrijheden
nietnopen tot wederzijdse erkenning, nu het Unierecht geen enkel criterium biedt voor voorrang of verdeling van heffingsbevoegdheid: het EU-recht verzet zich niet tegen fiscale belemmeringen zoals internationale dubbele belasting als gevolg van ‘parallelle uitoefening van belastingbevoegdheid door twee lidstaten.’ [16]
X Holding BV.
Het EVRM
door een lidstaatwaarop het EU-recht niet ziet, noch van een verplichting tot afzien van eigen regels door Nederland als gevolg van erkenning van gelijkwaardige regels uit de Staat van herkomst.
De Groot [18] en
Renneberg. [19]