Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
onderdeel 1.1klaagt het middel dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voornoemde vraag bevestigend te beantwoorden. Het middel betoogt, onder verwijzing naar art. 288 lid 2 sub c Fw Pro, dat dit oordeel van het hof geen steun vindt in het recht en in strijd is met de bedoeling van de wetgever.
onderdeel 1.4klaagt het middel dat onbegrijpelijk is dat het hof in zijn oordeel niet heeft betrokken de omstandigheid dat [verzoeker] een voltijds baan heeft en dat er sprake is van een boedelvoorstand. Mede gelet op de beperkte hoogte van de (nu nog herroepelijke) strafrechtelijke veroordeling ad EUR 3.843,- zou (aldus het middel) [verzoeker] in geval van het onherroepelijk worden hiervan in aanmerking komen voor toepassing van de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw Pro (op grond waarvan ook in geval van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling toelating tot de schuldsaneringsregeling toch mogelijk is indien de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen).