Conclusie
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de schuldenaren in hun cassatieberoep.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak zijn de schuldenaren door de rechtbank Rotterdam op 2 januari 2014 in staat van faillissement verklaard op verzoek van de Ontvanger van de Belastingdienst. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 11 februari 2014 deze vonnissen bekrachtigd. Vervolgens hebben de schuldenaren op 20 februari 2014 gezamenlijk cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad stelt vast dat de cassatietermijn op grond van artikel 12 van Pro de Faillissementswet acht dagen bedraagt en dat deze termijn op 19 februari 2014 is verstreken. Aangezien het cassatieberoep pas op 20 februari 2014 is ingediend, is het beroep te laat ingediend.
De Procureur-Generaal concludeert daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep van de schuldenaren. Er is geen sprake van een uitzondering wegens een apparaatsfout. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de schuldenaren is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.