ECLI:NL:HR:2014:1638

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2014
Publicatiedatum
9 juli 2014
Zaaknummer
14/00972
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Fw
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding cassatietermijn in faillissementszaak

In deze zaak hebben de schuldenaren, na hun faillietverklaring door de rechtbank Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen deze faillietverklaring. Het gerechtshof Den Haag heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Vervolgens hebben de schuldenaren beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, maar dit beroep is te laat ingediend, namelijk na het verstrijken van de wettelijke cassatietermijn van acht dagen na het arrest van het hof.

De Hoge Raad benadrukt het belang van rechtszekerheid en de strikte naleving van termijnen voor het aanwenden van rechtsmiddelen. Alleen onder bijzondere omstandigheden, zoals apparaatsfouten, kan hiervan worden afgeweken. In deze zaak zijn geen bijzondere omstandigheden vastgesteld die een uitzondering rechtvaardigen.

Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van de schuldenaren niet-ontvankelijk. Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van art. 12 van Pro de Faillissementswet met betrekking tot cassatietermijnen en onderstreept het belang van tijdige procesvoering in faillissementsprocedures.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Uitspraak

11 juli 2014
Eerste Kamer
nr. 14/00972
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [verzoeker 1],
2. [verzoeker 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. E.C. Kerkhoven,
t e g e n
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/MIDDEN-EN KLEINBEDRIJF,
zetelende te Rotterdam,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. G.C. Nieuwland.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de schuldenaren en de Ontvanger.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/10/14/1 F en C/10/14/2 F van de rechtbank Rotterdam van 2 januari 2014;
b. het arrest in de zaak 200.140.090/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 februari 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben de schuldenaren beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de schuldenaren in hun cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1
Op verzoek van de Ontvanger heeft de rechtbank bij afzonderlijke vonnissen de schuldenaren in staat van faillissement verklaard.
3.2
De schuldenaren hebben bij gezamenlijk verzoekschrift hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij arrest van 11 februari 2014 beide vonnissen bekrachtigd.
3.3
De schuldenaren hebben bij gezamenlijk verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld. Dit verzoekschrift is gedateerd 20 februari 2014 en is op diezelfde dag ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
3.4
Ingevolge art. 12 lid 1 Fw Pro konden de schuldenaren gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak van het arrest van het hof in cassatie komen.
Deze cassatietermijn ving in het onderhavige geval aan op 12 februari 2014 en eindigde op 19 februari 2014. Het beroep in cassatie is derhalve te laat ingesteld.
3.5
Op het uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddeltermijnen strikt de hand moet worden gehouden, kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten (vgl. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1097, NJ 2005/372, en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131). Nu van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken, zal de Hoge Raad de schuldenaren niet-ontvankelijk verklaren in hun beroep.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de schuldenaren niet-ontvankelijk in hun beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
11 juli 2014.