Conclusie
1.Feiten en procesverloop
eerste klachthoudt in dat het hof bij de beoordeling van de gewone verblijfplaats van de kinderen ten onrechte rekening heeft gehouden met de intentie van de vader die – anders dan de bedoeling van de moeder – erop was gericht de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland te behouden. Naar het middel betoogt speelt de intentie van de vader geen rol bij de beoordeling van de gewone verblijfplaats van de kinderen. Het middel voert verder aan dat het hof ten onrechte de grief van de moeder over haar bedoeling om met de kinderen te verhuizen naar Israël onbehandeld heeft gelaten. Deze klachten falen om de navolgende redenen.
tweede klachtvoert aan dat het hof bij de beoordeling van de gewone verblijfplaats van de kinderen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de moeder in feitelijke instantie aangevoerde omstandigheden waaruit zou blijken dat het aanvankelijke voornemen van de moeder om na haar buikoperatie in juni 2011 in Israël terug te keren naar Nederland in de week na de operatie is gewijzigd in het voornemen om in Israël te blijven wonen. Het hof zou daarmee een onjuist althans onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven. De klacht faalt, omdat de rechtbank en het hof op grond van alle – aan de stellingen van partijen over en weer ontleende – relevante feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben behouden. Dat oordeel van de feitenrechter is niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd, waarbij onder meer van belang is (i) dat de rechtbank en het hof hebben vastgesteld dat de moeder na haar buikoperatie in Israël het voornemen had om met de kinderen weer terug te keren naar Nederland als land van hun gewone verblijfplaats, (ii) dat de moeder vanaf december 2011 in Nederland heeft gewoond met de kinderen en zij onder druk van de omstandigheden heeft besloten om op 21 april 2012 met de kinderen naar Israël te vertrekken en (iii) het er naar het oordeel van het hof alle schijn van heeft dat de moeder de door haar geschetste ‘gesettelde’ situatie in Israël heeft geënsceneerd teneinde de kinderen naar Israël over te kunnen brengen zonder dat haar handelen wordt gekwalificeerd als ongeoorloofd in de zin van het HKOV. Ook de tweede klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.
derde klachtkeert zich tegen de laatste zin van de tweede alinea van rov. 3.11.2, waarin het hof als volgt overweegt: ‘Wat daar verder ook van zij: niet de intentie van een der ouders is doorslaggevend, maar gekeken dient te worden naar de feitelijke omstandigheden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen’. De klacht houdt in dat deze overweging innerlijk tegenstrijdig is met het bevoegdheidsoordeel van de rechtbank – welk oordeel het hof overneemt en tot de zijne maakt – waarin de rechtbank de intentie van de moeder tot permanent verblijf met de kinderen in Israël doorslaggevend heeft geacht. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat de intentie van de moeder niet doorslaggevend is geweest voor het bevoegdheidsoordeel van de rechtbank. De rechtbank beantwoordt de vraag naar de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter immers ‘aan de hand van feiten en omstandigheden betreffende partijen zelf’ en noemt in dat verband (i) dat de moeder samen met de kinderen in Nederland bij de vader woonde toen zij in juni 2011 naar Israël ging voor een buikoperatie, (ii) dat de terugkeer van de moeder naar Israël met de kinderen plaatsvond toen zij ‘met de rug tegen de muur stond’ of anders gezegd dat zij ‘onder de druk van de omstandigheden heeft besloten om terug te keren naar Israël’, (iii) dat uit hetgeen door de moeder naar voren is gebracht volgt dat zij voornemens was om met de kinderen in Nederland te blijven, en ten slotte (iv) dat de vader niet heeft ingestemd met de overbrenging van de kinderen naar Israël. Voor het overige kan de derde klacht evenmin tot cassatie leiden, omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden oordeel.