ECLI:NL:PHR:2014:75

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2014
Publicatiedatum
26 februari 2014
Zaaknummer
13/05545
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:395a BWArt. 79 ROArt. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid verzoek tot wijziging partneralimentatie op grond van draagkrachtberekening

Deze zaak betreft het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie die bij echtscheidingsbeschikking was vastgesteld. De rechtbank verklaarde de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek, waarna het gerechtshof de alimentatie vaststelde op een hoger bedrag. De man stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking.

De man klaagde met name over de wijze waarop het hof de draagkrachtberekening had gemaakt, met name de verwerking van de bijdrage voor de jongmeerderjarige zoon als onderdeel van 'overige kosten'. Hij stelde dat deze bijdrage als kinderalimentatie niet in de draagkrachtberekening had mogen worden meegenomen en dat kinderalimentatie voorrang heeft boven partneralimentatie.

De Hoge Raad oordeelde dat de vaststelling en weging van draagkrachtfactoren aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Ook het gebruik van de Tremanormen is een zaak van de feitenrechter en vormt geen recht in de zin van art. 79 RO Pro. Daarnaast wees de Hoge Raad erop dat het hof in zijn berekening wel degelijk voorrang gaf aan de kinderalimentatie. Klachten over onvoldoende motivering of overschrijding van de rechtsstrijd faalden eveneens.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a lid 1 RO, waarmee het hofarrest in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de beschikking van het hof in stand bleef.

Conclusie

13/05545
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 14 februari 2014
CONCLUSIE inzake art. 80a RO
[de man]
verzoeker tot cassatie
tegen:
[de vrouw]
verweerster in cassatie
1. Deze zaak betreft het verzoek van [de man] (hierna: de man) tot wijziging (nihilstelling) wegens gewijzigde omstandigheden (art. 1:401 lid 1 BW Pro) van de bij echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 4 april 2007 ten behoeve van [de vrouw] (hierna: de vrouw) met ingang van 18 april 2007 op € 598,- per maand bepaalde partneralimentatie. Bij beschikking van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof bij beschikking van 18 juli 2013 de door de man te betalen partneralimentatie bepaald op € 653,- per maand met ingang van 1 mei 2012. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. In het cassatieverzoekschrift is een voorbehoud gemaakt tot het indienen van een aanvullend verzoekschrift naar aanleiding van de ontvangst van het proces-verbaal van mondelinge behandeling bij het hof. De man heeft na ontvangst van het proces-verbaal te kennen gegeven van het voorbehoud geen gebruik te maken. De vrouw is op haar verzoek uitstel verleend voor het indienen van een verweerschrift in afwachting van de beslissing over de toepassing van art. 80a RO (art. 9a.8 Reglement rekestzaken).
2. De aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dat laat zich als volgt toelichten.
3. Het
middelis gericht tegen de aan de beschikking van het hof gehechte, aan de hand van de Tremanormen (INA alimentatietool) opgestelde draagkrachtberekening, voor zover het hof daarin de door de man ten behoeve van de jongmeerderjarige zoon van partijen ([de zoon], geboren [geboortedatum] 1994) betaalde bijdrage ad € 315,- per maand (waarover rov. 5.22) heeft vermeld onder post 134 ‘Overige kosten’.
4. De rechtsklacht in
onderdeel 1aluidt dat het hof aldus heeft miskend (i) dat de als kinderalimentatie te kwalificeren bijdrage voor [de zoon] in mindering moet worden gebracht op de
draagkrachten niet, zoals in casu is geschied, moet worden meegewogen bij de berekening van het
draagkrachtloos inkomen [1] , en (ii) dat kinderalimentatie voor jongmeerderjarigen (art. 1:395a BW) voorrang heeft boven alle onderhoudsgerechtigden, waaronder de gewezen partner.
5. Deze rechtsklacht stuit af op vaste rechtspraak volgens welke de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, zijn voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst (vgl. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563). Voor zover beoogd is te klagen over onjuiste toepassing van de Tremanormen, ziet de klacht eraan voorbij dat het aan de feitenrechter is overgelaten te beslissen of en in hoeverre deze normen in een concreet geval moeten worden toegepast (HR 17 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4619, NJ 1984/35) en voorts dat deze normen geen recht zijn in de zin van art. 79 RO Pro (HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0400, NJ 1992/30). Ten slotte ziet de klacht eraan voorbij dat (ook) in de berekeningswijze van het hof voorrang wordt verleend aan de alimentatie voor de jongmeerderjarige [de zoon].
6.
Onderdeel 1bklaagt dat de beschikking van het hof onvoldoende is gemotiveerd, nu het hof niet heeft aangegeven waarom het in dit geval is afgeweken van de geldende alimentatienormen.
Deze klacht ziet eraan voorbij dat de rechter niet behoeft te motiveren waarom hij van de Tremanormen afwijkt (HR 7 maart 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9688, NJ 1986/545).
7. Ten slotte bevat onderdeel 1b de klacht dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden, nu de allocatie van de betalingen van de man in de door hem overgelegde draagkrachtberekening (prod. 5 bij inleidend verzoekschrift) geen onderwerp is geweest van het partijdebat.
Nog daargelaten dat het onderdeel niet aangeeft wat die allocatie inhield, faalt deze klacht omdat het hof de partneralimentatie zelfstandig mocht vaststellen (HR 11 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2264, NJ 1988/348) en (zonder motivering) mocht afwijken van de door de man uitgevoerde draagkrachtberekening (HR 5 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4871, NJ 1985/87).
8. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.1. Verwezen wordt naar het Rapport alimentatienormen versie juli 2012, blz. 11 en versie juli 2013, blz. 13. Kennelijk wordt gedoeld op de alinea beginnend met “Alle onderhoudsverplichtingen dienen in beginsel ten laste van de draagkracht te worden gebracht”, welke zinsnede op haar beurt ziet op o.m. de posten 138 (‘Alimentatieverplichtingen eerdere ex-partner) en 141 (‘Kinderalimentatie’) aan de hand waarvan de beschikbare draagkracht over de verschillende alimentatiegerechtigden wordt verdeeld.