ECLI:NL:PHR:2015:101

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2015
Publicatiedatum
20 februari 2015
Zaaknummer
13/03263
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 434 lid 1 SvArt. 450 lid 1 sub b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens niet-indienen grieven schriftuur

Verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Utrecht wegens verduistering. Het hof motiveerde dit doordat verdachte geen schriftuur met grieven had ingediend binnen de gestelde termijn en ook niet mondeling bezwaren had opgegeven tijdens de terechtzitting. Verdachte stelde cassatie in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De Hoge Raad oordeelde dat het achterwege blijven van het uitreiken of toezenden van een grievenformulier aan een verdachte die hoger beroep via een schriftelijke volmacht instelt, niet in de weg staat aan toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro. Verdachte kan ook nog ter terechtzitting zijn bezwaren opgeven. Bovendien was verdachte correct gedagvaard, ondanks dat de dagvaarding niet was afgehaald en retour was gezonden, en had verdachte zelf hoger beroep ingesteld waardoor hij op de hoogte was van de procedure.

De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het hof. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in hoger beroep wegens het niet indienen van een schriftuur met grieven.

Conclusie

Nr. 13/03263
Zitting: 6 januari 2015
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op de voet van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank Utrecht d.d. 31 oktober waarbij hij wegens verduistering is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 36.250,-- .Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep.
4. Het Hof heeft de niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep als volgt gemotiveerd:
“De verdachte heeft niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, ingediend. Ook heeft hij niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
5. Volgens de toelichting op het middel had het Hof gezien de gevolgen die art. 416 lid 2 Sv Pro verbindt aan het niet opgeven van bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep blijk moeten geven van bijzondere zorgvuldigheid bij de controle van wetenschap bij de verdachte van datum en tijdstip van de behandeling ter terechtzitting van het Hof. De enkele mededeling in het proces-verbaal van de terechtzitting dat verdachte correct is gedagvaard zou daartoe niet voldoende zijn.
6. Deze opvatting deel ik niet. Verdachte is gedagvaard op het adres waarop hij ten tijde van de dagvaarding in hoger beroep in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven. Op dat adres werd niemand aangetroffen. Toen is een bericht van aankomst achtergelaten waarin stond vermeld dat verdachte de dagvaarding binnen een in dat bericht genoemde termijn kon afhalen op het daarin genoemde postkantoor of politiebureau. De dagvaarding is niet afgehaald. Vervolgens is de dagvaarding uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank en is een afschrift van de gerechtelijke brief gezonden naar bovenbedoeld adres. [1] Deze brief is als “retour afzender” teruggezonden naar de afzender met de aantekening “mensen wonen hier niet meer vanaf 1 september 2012”. Verdachte heeft zelf hoger beroep ingesteld en wist dus dat hij zou worden gedagvaard. Niettemin heeft hij kennelijk niet de van hem te vergen [2] , in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen genomen om te voorkomen dat een dagvaarding hem niet bereikt. Daarom heeft het Hof niet behoeven na te gaan of de verdachte van de terechtzitting in hoger beroep op de hoogte was, ook al zou onbekendheid met de terechtzitting in hoger beroep tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep kunnen leiden. Verdachte had in de omstandigheden van het onderhavige geval beter op zijn tellen kunnen en moeten passen.
7. Voorts wordt geklaagd dat de verdachte bij schriftelijke machtiging aan een medewerker ter griffie hoger beroep heeft ingesteld, dat dus niet de mogelijkheid heeft bestaan hem een zgn. grievenformulier uit te reiken en ook niet blijkt dat hem een dergelijk formulier is toegezonden.
8. Het achterwege blijven van de uitreiking van een zgn. grievenformulier behoeft niet aan toepassing van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv Pro in de weg te staan [3] omdat de verdachte ook nog ter terechtzitting zijn bezwaren tegen het beroepen vonnis kan opgeven.
9. Het middel faalt.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De stukken betreffende de betekening van de dagvaarding in hoger beroep bevinden zich bij de aan de Hoge Raad op de voet van het bepaalde in art. 434 lid 1 Sv Pro gezonden stukken.
2.O.a. HR 25 september 2001, NJ 2002, 83, HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002, AD5163, NJ 2002, 317, m. nt. Sch, rov. 3.37.
3.Vgl. HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6138: de verdachte behoeft niet op de mogelijkheid van het indienen van een schriftuur te worden gewezen, ook niet wanneer hij in eerste aanleg niet is bijgestaan door een raadsman. Zie voorts de conclusie van mijn toenmalig ambtgenoot Jörg bij dit arrest en de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt bij HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:2176, onder 10.