ECLI:NL:HR:2011:BQ6138
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.F. Groos
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens ontbreken schriftuur met grieven
In deze strafzaak stelde de verdachte zelf hoger beroep in tegen een vonnis, zonder zich te laten bijstaan door een raadsman. De verdachte verscheen niet ter terechtzitting in hoger beroep en diende geen schriftuur met grieven in tegen het vonnis. Het gerechtshof verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
De verdachte betoogde in cassatie dat het gerechtshof eerst had moeten onderzoeken of hij door justitie was geïnformeerd over de gevolgen van het niet indienen van een schriftuur met grieven. De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat artikel 416, tweede lid, Sv geen onderzoek naar die informatieplicht vereist, ook niet als de verdachte niet verschijnt in hoger beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat geen rechtsregel de appelrechter verplicht tot een dergelijk onderzoek en dat de niet-ontvankelijkverklaring daarom terecht is. Het beroep werd verworpen, waarmee de uitspraak van het gerechtshof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep wegens het ontbreken van een schriftuur met grieven.