Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding, zal verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”
6. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof heeft verzuimd een onderzoek in te stellen naar de vraag of [betrokkene 1] zich in telefonisch contact met verdachte zodanig tegenover haar heeft uitgelaten dat zij erop mocht vertrouwen dat voorafgaande aan de behandeling eerst getuigen zouden worden gehoord.
7. Bij de beoordeling van deze klacht dient vooropgesteld te worden hetgeen de Hoge Raad overwoog in onder meer zijn arrest van 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6671: “2.3. Vooropgesteld dient te worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vóór het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit (vgl. HR 4 mei 2004, LJN AO5706, NJ 2004, 462).”
8. In het licht van deze overweging had het Hof niet in het midden mogen laten of [betrokkene 1] zich in telefonisch contact met verdachte zodanig tegenover haar heeft uitgelaten dat zij erop mocht vertrouwen dat voorafgaande aan de behandeling eerst getuigen zouden worden gehoord.In dat geval had de verdachte, die in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een advocaat, er immers op mogen vertrouwen dat zij na het horen van de getuigen alsnog voor de behandeling zou worden opgeroepen en zou haar, anders dan het Hof heeft overwogen, niet voor de voeten kunnen worden geworpen dat zij, op de hoogte van de zittingsdatum in eerste aanleg, na die zittingsdatum niet heeft geïnformeerd naar het verdere verloop van haar zaak.
9. In de tweede plaats klaagt het middel dat het Hof heeft verzuimd te onderzoeken of de door verdachte gestelde omstandigheid dat het haar allemaal teveel was geworden en zij nog bij de crisisdienst liep, van zodanige aard was dat het niet tijdig instellen van hoger beroep haar niet kan worden toegerekend.
10. Naast ambtelijke informatie kan ook de psychische gesteldheid van een verdachte van zodanige aard zijn dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend (vgl. HR 6 januari 2004, LJN AN8587, NJ 2004/181).
11. De vraag is of in het onderhavige geval voldoende is gesteld voor het oordeel dat hetgeen door de verdachte is verklaard en/of haar raadsman is aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een beroep op verontschuldigbaarheid van de overschrijding van de termijn voor hoger beroep, gelegen in verdachtes psychische gesteldheid ten tijde van de termijn voor hoger beroep. Mijns inziens is dat niet het geval. Verdachtes raadsman ziet blijkens het gevoerde verweer in hetgeen verdachte over haar psychische gesteldheid heeft verklaard kennelijk geen reden voor verontschuldigbaarheid van de onderhavige termijnoverschrijding terwijl hetgeen de verdachte verklaart niet van dien aard is dat het zonder meer moet leiden tot verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding. Daar komt nog bij dat verdachte zegt op grond van – kort gezegd – ambtelijke mededelingen in dwaling te hebben verkeerd over de termijn voor hoger beroep en dan niet valt te begrijpen hoe haar psychische gesteldheid ten tijde van de termijn voor hoger beroep aan het tijdig instellen daarvan in de weg heeft gestaan.
12. Het middel slaagt.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.